Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mctamorphosen van Ovidius, waaruit op blz. 382 eenige staaltjes werden meegedeeld, en waaruit hier nog kunnen worden genoemd de metamorphose van den treurenden Cypressus in den Cypres en de verandering der nimf Clytia in de bloem Hesperis mutronalis, de Damastbloem. Al deze mctamorphosen van menschen in boomen en bloemen, alsook die van menschen in bronnen en dieren hebben een dieperen zin, en men moet bij een poging tot verklaring voor oogen houden, dat de goden der Ouden de natuurkrachten voorstelden. Vele zijn echter vaak moeilijk te begrijpen, daar wij ons in de wereldbeschouwing der Ouden niet goed meer kunnen indenken.

Zeer talrijk zijn de tot den nieuweren tijd behoorende lyrische gedichten, waarin verband wordt gezocht tusschen vorm, kleur en tijd van ontplooiing der bladeren of van ontluiken en verwelken der bloemen met de gevoelens en stemmingen der menschen, en waarbij gewoonlijk in epigrammatischen vorm in de slotwoorden de eigenlijke bedoeling wordt uitgedrukt. Als voorbeelden uit deze groep van gedichten kunnen gelden „Zeitlose" (Colchiciim) en „Gcorgine" (l)<thli<i) van Gilm ; „Die Eiche des Bundes der Khctier" van Salis; „Herbstlied' en „Welke liose ' van Lenau en „Ginkgo biloba" van Goethe. In de zonderling gevormde, tweespletige bladeren van dezen in Japan inheemschcn boom zag Goethe het symbool van twee in vriendschap nauw verbonden zielen. Hij zond in Mei 1828 een bebladerdcn tak van Ginkgo biloba aan mevrouw Marianne de Villemer, met een gedicht, waarin het over het blad heet: „Ist es ein lebendig Wesen, das sich in sicli selbst getrennt? Kind es zwei, die sich erlesen, dasz man sie als Eines kennt? Solche Fragen zu erwidern, fand ich wohl den rechten Sinn; fühlst du nicht in meinen Liedern, dasz ich eins und doppelt binV" De dichter vraagt hier dus of het blad één in zich zelf verdeeld wezen is, of dat er twee zijn, die bij elkander behooren, zóó dat men ze voor één aanziet. Galant voegt bij erbij, dat hij de juiste beteekenis kent en vraagt hij, of zij niet in zijn liederen voelt, dat hij één en toch een dubbele persoonlijkheid is.

Als een voorbeeld van een meer modern gedichtje, waarin de stemming van een metfschenkind wordt weergegeven in verband mot de verschijnselen in het bosch rondom hem, kan het volgende ons treffen, van Betsy Juta (1804).

Gele blaren.

Stil weefde 't woud zijn laatste zomerdroomen In droeven tooi van bleekgeel bladergoud,

In najaarsweemoed doolde ik door dat woud,

Mijn vreugde had de zomer meegenomen.

Een boó van 't Leven is tot mij gekomen;

Een handvol blaren ritste hij van 't hout En sprak tot mij: „Berg aan uw hart dit goud:

Nieuw licht van liefde zal u tegenstroomen."

Sluiten