Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bloemenspraak inoet hebben bediend, blijkt uit de slotregels van een zijner gedichten, waarin het heet:

VVer liebt wie wir, dem wird es leicht,

Den rechten Sinn zu reimen:

Ich schickte dir, du schicktest mir,

Es war sogleich verstanden.

Hierin zegt Goethe dus ongeveer: „Wij, met onze liefde, zouden altijd wel het rechte rijmwoord weten te vinden; als ik u of gij mij iets zond, dat op een rijmspel geleek, zouden wij terstond elkaar begrijpen."

In de westersche bloemenspraak komt het voor, dat men een bouquet van bepaalde symbolische bloemen overhandigt en daarmee uitdrukking geeft aan bepaalde gedachten, gevoelens en wenschen. Geen bloem wordt in dit opzicht in lyrische gedichten uit ouden en nieuwen tijd zoo druk gebruikt als de l'oos. In een boek uit het jaar 1882, getiteld „Das Rosenbüchlein" zijn 150 rozengedichten van den tijd van Anacreon, 550 v. C., tot in den nieuwsten tijd bijeenverzameld.

De westersche bloemenspraak kreeg in de l(ide en 17de eeuw ook veelvuldig toegang tot de dramatische gedichten. Vooral speelt zij een belangrijke rol in Shakespere's „Wintersprookje", in zijn „Zomernachtsdroom" en in „Hamlet". Ook in de volkspoëzie is zij ingevlochten en wij willen hier een in do Beneden-Oostenrijksche Vooralpen ontstaan vierregelig liedje, bekend onder den naam „Schnaderhüpfel", in dialect invoegen, met de vertaling in proza er naast:

Zien Veigerl san d'Augerl, Twee Viooltjes zijn de oogen,

Zwa Rösetl san d'Wang, Twee Koosjes zijn de wangen,

Un<l di mocht i halt broeken En die zou 'k willen plukken, Was laugn' i 's demi lang? Waarom zou ik 't niet erkennen?

Bij de verzen, waarin de planten als symbolen worden behandeld, sluiten zich die aan, waarin aan de planten menschelijke handelingen en gevoelens, hartstochten en deugden worden toegeschreven. Zoo b.v. is in het derde couplet van onderstaand gedicht van F. L. Hemkes zoo goed de droom van een der mooiste en meest algemeene bloemen onzer slootilora weergegeven:

Lischbloem.

Lischbloem, die bloeit aan den zoom van den vliet,

Hoog op een vorstlijke schilde geheven,

Als door een lijfwacht van speren omgeven Troont gij te midden van 't riet.

Sluiten