Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Mannelijke en vrouwelijke bloemen in rolronde of langwerpige katjes. Helmknopjes kaal. Vruchten zonder omhulsel.

aa. Vrucht tweevleugelig. Schutbladen der vrouwelijke bloemen met de schutblaadjes tot een 3-lobbige schub vergroeid. die met de vrucht afvalt.

Betula blz. 5.

bb. Vrucht niet of onduidelijk gevleugeld. Vrouwelijke katjes in den vruchttoestand houtig wordend, op een dennekegeltje gelijkend. Schutbladen der bijschermpjes met de schutblaadjes der bloemen vergroeid, blijvend. . . . Aluns blz. 8. B Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2-5 bijeen, door een zich later vergrootend bekervormig omwindsel geheel of ten deele omgeven.

a. Omwindsel met 2-5 bloemen, ten slotte na vruchtrijpheid met 4 spleten openspringend, stekelig. Bladen in 2 rijen.

aa. Mannelijke katjes kort en dik. Bloemdek der mannelijke bloemen 5-6-lobbig. Meeldraden 8-20. Bloemdek der vrouwelijke bloemen met 6-tandigcn zoom. Stempels 3. Vrucht driekantig, eenzadig. Zaadlobben bij de ontkieming

boven den grond komend Kagus blz. 13.

bb. Mannelijke katjes cylindrisch. Mannelijke bloemen met 5-6-spletig bloemdek. Meeldraden 8-20 (meest 12). Bloemdek der vrouwelijke bloemen met 5-9spletigen zoom. Stempels meest 6. Vrucht rondachtig, l-2-zadig. Zaadlobben bij de ontkieming onder den grond blijvend . . . Castanea blz. 15.

b. Omwindsel 1 bloem omhullend, tenslotte als een napje, dat uit schubachtige blaadjes bestaat, het onderste deel der vrucht omgevend. Mannelijke katjes draadvormig, afgebroken. Mannelijke bloemen met 4-8-slippig bloemdek en 4-8 meeldraden. Vruchtbeginsel 3-4-hokkig. Vrucht 1-zadig. Bladen verspreid. Zaadlobben bij de ontkieming onder den grond blijvend ({uerens blz. lfi.

1. Bétula Tril.') Berk.

Eenhuizige boomen of heesters. Mannelijke bloemen in katjes. Aan de spil vindt men schutbladen, in wier oksels de bloemen in een bijschermpje staan, dat bestaat uit een middenbloem en 2 zijbloemen, zonder schutblaadjes. Iedere bloem heeft een 4-bladig bloemdek, waarvan het voorste bloemdekblad veel grooter is dan de achterste, die vaak weinig ontwikkeld zijn en 2 meeldraden (aan de middenbloem vaak 3, aan de zijbloemen zelden 3), die soms tot aan den voet 2-deelig zijn (zoodat er schijnbaar 4 of 6 zijn, echter met 1-hokkige helmknopjes).

Vrouwelijke bloemen in katjes. Aan de spil vindt men schutbladen, in wier oksels de vrouwelijke bloemen in bijschermpjes staan nl. een middenbloem (soms weinig ontwikkeld) en 2 zijbloemen. De laatste hebben ieder een schutblaadje, dat met het schutblad tot een 3-lobbige of 3-spletige schub vergroeit, die met de vrucht afvalt. In de oksels dier schubben ontstaan dus 3 (of 2) nootjes, die gevleugeld zijn. Zij zijn ontstaan uit evenveel vruchtbeginsels, wier purperkleurige stempels niet buiten de schutbladen uitsteken.

De mannelijke katjes zijn eind- en okselstandig, zij zijn reeds in den herfst ontwikkeld, doch openen zich eerst na het ontplooien der bladen in het voorjaar. De vrouwelijke zitten aan den top van korte takjes, zij staan onder de mannelijke, zijn in den winter door knopschubben omsloten en openen zich te gelijk met het ontplooien der bladen. Zoowel de mannelijke als de vrouwelijke katjes zijn cylindrisch , de eerste hangend, de vrouwelijke staan rechtop of hangen ook.

De knoppen zijn zittend. De bladen getand of gekarteld met vroeg afvallende steunbladen.

') van betu, de keltische naam voor berk.

Sluiten