Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan diepe plooien, die aan de bovenzijde een nauwe spleet hebben en naar onderen uitsteken. Die geulen volgen gewoonlijk de richting der nerven en zijn met haren bezet. Zij worden door galniijten (Phytoptussoorten) veroorzaakt.

Gebruik. Het hout is zeer hard en wordt daarom voor tanden van kamraderen, houtschroeven enz. gebruikt.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De haagbeuk is vooral in Midden-Europa algemeen. Bij ons komt hij in bosschen voor en ook aangekweekt om heggen te vormen, waarvoor hij zeer geschikt is door de sterke vertakking.

5. Ffigus') Tril. Beuk.

F. silvatica-) L. Beuk. (Fig. 9).

De beuk is een boom met een vrij gladde, uitgespreide kroon met afstaande takken (de jongere zijn meer roodbruin). De knoppen zijn zeer langwerpig, met dakpansgewijze liggende, donkere, harde knopschubben. De bladen staan in 2 rijen, zijn kort gesteeld, glanzend, eirond, wat spits zwakbochtig getand, donzig gewimperd, doch overigens kaal, van onderen bleekgroen.

De plant is eenhuizig. De mannelijke bloemen staan in langgesteelde, hangende bol-eironde katjes, die uit de oksels der onderste bladen der jonge takken ontspringen en komen dus tegelijk met de bladen (fig. 9.) De bloemen hebben een klokvormig, sterk behaard, roodachtig bruin, 5-6-lobbig hint»indek met 8-12 meeldraden, wier helmbindsel

boven de helmhokjes uitsteekt (fig. 9). De vrouwelijke bloemen staan rechtop en staan alleen of in een gering aantal (meest 2) bij elkaar op een korten steel. Zij komen uit de oksels der hoogere bladen der jonge takjes en verschijnen dus ook tegelijk met de bladen (fig. 9). Iedere bloem bestaat uit een 3-hokkig, onderstandig vruchtbeginsel (ieder hokje met 2 eitjes) met een 6-tandigen bloemdekzoom en 3 draadvormige stijlen en stempels.

Om de 1 of meer bloemen van de bloeiwijze zit een omwindsel, dat uitgroeit tot een stekelig, houtig, eirond vruchtomhulsel, dat bij rijpheid zich met 4 kleppen opent (fig. 9) en de driekantige, glimmend bruine, 1-zadige nootjes met harde schil (fig. 9), die van binnen behaard is, vrijlaat. Meestal zitten er 2 in het omhulsel.

Men komt er bij oppervlakkige beschouwing licht toe om de vrucht voor een 4-kleppige doosvrucht te houden en de driekante deelen er in, de eigenlijke vruchten, voor de zaden. De ontwikkeling bewijst liet echter anders. K 24-30 M. Mei.

Biologische bijzonderheden. In liet voorjaar worden de knoppen losser en het eerst komen de vliezige steunbladen er uit (die de jonge bladen nog beschuttend omhullen), doch al spoedig ook de bladen. Merkwaardig is de

grauwe schors, een ver

Fagus silvatica

Fis- 9.

') Van 'tgrieksche fagó: ik eet, om de eetbare vruchten. ') silvatica _ bosch-

Sluiten