Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met kleine tandjes, eerst aan weerszijden zijdeachtig behaard (de haren liggen in de richting der middennerf), later zeldzaam aan weerszijden, meest alleen van onderen zijdeachtig behaard of aan weerszijden kaal wordend, van boven iets glanzend, dof- of vuilgroen, van onderen bleekof grijsgroen. Steunbladen zijn meest alleen aan de loten aanwezig, zij zijn elliptisch of smal lancetvormig.

De katjes zijn zeer kort of iets langer gesteeld, de mannelijke zijn eirond tot kort cylindrisch (1 : 1 a2), de vrouwelijke bijna bolrond tot langwerpigeirond of langwerpig-cylindrisch (1 : 1 a 4), meest dichtbloemig. De katjesschubben zijn naar boven zwartachtig of zwartpurper, aan weerszijden behaard. De klier is klein, langwerpig of langwerpig-eirond, afgeknot.

In de mannelijke bloemen zijn de meeldraden kaal, de knopjes eerst roodachtig, daarna geel en na het stuiven zwartachtig. In de vrouwelijke bloemen is het vruchtbeginsel gesteeld (de steel is 2-3 maal zoolang als de klier), klein, kegelvormig, stomp, later bijna cylindrisch verlengd, grijsviltig (zelden kaal), later kaler wordend. De stijl is meest kort of ontbreekt, de stempels zijn korter of langer, ongedeeld of meer of minder gespleten, geel of roodachtig. t>. 1,5 dM—1 M. April, Mei.

Men onderscheidt hierbij de volgende vormen:

*. vulgdris '). Bladen ovaal tot elliptisch-lancetvormig (1 : 1 a 5), met omgerolden rand en teruggebogen top.

I. lasiocdrpa2). Vruchtbeginsel behaard.

II. leiocarpa3). Vruchtbeginsel geheel of bijna kaal.

ftiscd*) Sm. Bladen elliptisch of elliptisch-lancetvormig. Plant hooger.

I. lasiocdrpa. Vruchtbeginsel behaard.

II. leiocarpa. Vruchtbeginsel geheel of bijna kaal.

y. argéntea "') Sm. Bladen aan weerszijden dicht zijdeachtig behaard of viltig-

I. lasiocdrpa. Vruchtbeginsel behaard.

II. leiocarpa. Vruchtbeginsel geheel of bijna kaal.

J. rosmctrinifólia'') Koch, niet L. Bladen lijn-lancetvormig (1:5 a 10) met vlakken of weinig teruggebogen rand. Vrouwelijke katjes vaak bijna bolrond.

Voorkomen in Europa en in Nederland. S. repens komt door geheel Europa voor en is ook bij ons algemeen op moerassige heide- en zandgronden en in de duinen.

De vorm rosmarinifolia is alleen van Groningen en Wassenaar bekend. Een bastaard van S. aurita en S. repens is S. ambigua') Ehrh.

Bij dezen zijn de bladen langwerpig of omgekeerd eirond met teruggekromden top, gaafrandig of verwijderd getand, van onderen rimpelig, aangedrukt behaard, ten slotte kaal. De bladen zijn grooter dan bij S. repens, doch niet zoo groot en ook minder rimpelig dan bij S. aurita.

De katjes zijn rolrond, met aan den top bruine, geelwit behaarde schubben. De vrouwelijke katjes zijn tijdens den vruchttijd kortgesteeld. De doosvrucht is viltig.

Deze is bij ons hij Winterswijk, Doornspijk en Oranjezon (Walcheren) gevonden.

Nog worden in onze literatuur over de Salixsoorten verschillende soorten en bastaarden vermeld, als hier gevonden en wel de volgende: S.phylicaefolia L = S. nigricans Sm., op het Singelbolwerk bij Haarlem en de var.

') vulgaris = gewoon. 2) lasiocarpa = ruwvruchtig. 3) leiocarpa = gladvruchtig. <) fusca = bruin. ) argéntea = zilverkleurig. 6) rosmarinifolia = rosmarijnbladig. ') ambigua = twijfelachtig.

Sluiten