Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beschadigingen door insecten komen ook voor. De larve van degroote populierboktor (Saperda carcharias) en van de kleine (Saperda populnea) leeft in populieren. De eerste leeft ook in wilgen, de tweede alleen in Populus tremula. De larven leven beide 2 jaren in takken, die daardoor knobbels krijgen.

Groei en gebruik. De populieren groeien snel (vandaar ook de volksnaam „gauwgroot") en hebben, evenals de wilgen, het vermogen om gemakkelijk toevallige knoppen te vormen, zelfs aan de wortels, vooral als de hoofdstam is afgehakt.

Het hout is zeer zacht en wordt voor het maken van klompen en voor snijwerk gebruikt.

Volksnamen. Behalve populier worden de soorten van het geslacht Populus ook vaak peppel genoemd.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Populus.

A. Katjesschubben gewimperd. Meeldraden 8. Schors lang glad blijvend. Takken kort, dik.

a. Jongere takken en knoppen viltig. Bladen, vooral die der wortelloten, bochtig gelobd, van onderen dichter of losser sneeuwwit, zelden grijsachtig viltig. Katjesschubben niet of zwak ingesneden p. allia blz. 43.

b. Knoppen kaal, min of meer kleverig. Bladen bijna cirkelrond, wijd uitstaand stomp getand, de hoogere en die der wortelloten ruitvormig, eerst zijdeachtig behaard, ten slotte kaal. Katjesschubben handvormig ingesneden. P. tremula blz. 44.

c. Knoppen en takken dun, grijsviltig. Bladen rondachtig, wijd uitstaand grof getand . van onderen dun grijsviltig. Katjesschubben van boven iets ingesneden, dichtbehaard I*. alba x tremula blz. 46.

B. Meeldraden 12—30. Schors gescheurd. Knoppen kaal, kleverig. Takken slank, ledergeel, glanzend, kaal. Bladen driehoekig of ruitvormig, gekarteld-gezaagd, toegespitst. Katjesschubben doorschijnend gerand, kaal (soms aan den rand behaard), van onderen groen. Helmknopjes vóór het stuiven purper gekleurd. Stempels geelachtig.

a. Jongere takken rondachtig, zonder kurkribben. Katjesschubben gescheurd, de slipjes draadvormig toegespitst. Vruchtbeginsel eirond , met 2 naden.

aa. Takken uitgespreid. Bladen afgeknot of wigvormig . . . P. nigra blz. 46. bb. Takken rechtopstaand P. pvramlilalis blz. 47.

b. Jongere takken door kurkribben kantig. Vruchtbeginsel met 3—4 naden, vaak tusschen de naden gegroefd.

aa. Onderste bladen der takken aan den voet langs den bladsteel afloopend , alle met kalen of aanliggend behaarden rand. Stempelslippen bijna zittend, omgerold , aan den voet met oocerichte lobben . . P- <-niin,i..noio hii

bb. Bladen aan den voet afgeknot of iets hartvormig, aan den rand dicht kort en stijf behaard. Stempelslippen langgesteeld, bijna pijlvormig P. mouilifera blz. 48.

Zie ook P. angulata blz. 48.

P. alba') L. Witte abeel (fig. 40).

Boomen met een gladde, grauwwitte schors, die eerst op lateren leeftijd scheurt. De jongere takken, knoppen en bladstelen zijn grijs- of witviltig. De takken staan uitgespreid en beginnen meest vrij laag bij den grond. De kroon is vrij los.

De bladen, vooral die der wortelloten, zijn handvormig 5-lobbig, aan den voet meest iets

hartvormig, van boven glanzend, donkergroen, van onderen meer of ') alba = wit.

\.f A V7A Populus alba

Fig. 40.

Sluiten