is toegevoegd aan uw favorieten.

De flora van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenoverstaand, aan den voet van okselstandige (vaak onontwikkelde) bebladerde takken, tot bijschermen of pluimen vereenigd.

Biologische bijzonderheden.

Brandharen (fig. 47). De brandharen, die men bijna steeds bij het geslacht Urtica aantreft, zijn eencellige haren, wier opgezwollen voet in een weefsel van elastische en buigzame cellen rust. Van het brandhaar

valt op te merken, dat het aan den top tot een kopje is opgezwollen, dat zijwaarts gebogen is. Op de plaats van ombuiging is de celwand zeer dun en scheurt dus daar door de lichtste aanraking, waardoor het kopje er afbreekt. Dit afbreken geschiedt volgens een schuine lijn, zoodat de ontstane opening zijwaarts is gekeerd. Tot dit afbreken werkt het bros zijn van het bovenste deel van den celwand mede. Worden nu de brandharen van boven gedrukt, dan gaat het kopje er af, de spits dringt in de huid, die de drukking heeft uitgeoefend en in de gemaakte wonde dringt een deel van den celinhoud. Deze bestaat behalve uit mierenzuur ook uit een stof, aan de enzymen verwant en terwijl waarschijnlijk het eerste het gevoel van pijn teweegbrengt, is het de laatstgenoemde stof, die de dan volgende jeukte veroorzaakt. Drukt men van terzijde op de brandharen, dan leggen zij zich tegen de bladschijf aan

en de top breekt niet af. Houdt men nu op met drukken, dan richt zich ieder haar weer op. Zoo kan men langs een brandnetel de hand van onderen naar boven schuiven, zonder zich te branden, doch bij een beweging van boven naar beneden breekt men tal van kopjes af.

De brandharen beschutten de plant natuurlijk tegen het opvreten door zoogdieren. De kortere naar beneden gerichte borstelharen, die tusschen de andere staan, dienen meer om slakken van de plant te houden. Sommige rupsen, b.v. die van de kleine aurelia (Vanessa urticae), storen zich in 'tgeheel niet aan die haren, doch vreten de bladen op.

Inrichting der bloemen met het oog op de bestuiving. De brandnetels hebben windbloemen. Bij het opengaan der mannelijke bloemen komen de eerst naar binnen en beneden gekromde meeldraden elastisch uit het bloemdek te voorschijn en de helmknopjes, die ook op dat oogenblik openspringen laten het stuifmeel vrij, dat er als een wolkje uitvliegt. De helmdraden zijn nl. eerst zoo sterk naar binnen gekromd, dat de helmknopjes in den voet der, bloem liggen. Als de helmdraden nu gaan groeien. wordt ten slotte de naar buiten gerichte spanning zoo groot, dat die den tegenstand overwint en een plotselinge strekking volgt. Dit alles gebeurt vroeg in den morgen als de eerste zonnestralen de plant treffen. De wolkjes stuifmeel vliegen schuin naar boven, het stuifmeel daalt in rustige lucht neer en een deel er van komt op de stempels terecht.

Andere bijzonderheden. De brandnetelstengels zijn zeer stevig door lange, onder de opperhuid liggende taaie vezels, die wel tot 77 niM lang zijn.

De vruchten zijn klein en licht, worden dus gemakkelijk door den wind verspreid.

Aan de stengels, bladen en bloemstelen komen vaak rondachtige, witgroene gallen voor, veroorzaakt door een galmug (Gecidomyia Urticae).

Fig. 47. Doorsnede door een mei brandharen bezetstuk van een blad van Urtica dioica.