Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FAMILIE 29.

— POLYQONACEAE. —

groene bladen dragen met lijn-draadvormige, ruwe, brosse slippen, welke 's winters nog donkerder en stijver zijn dan des zomers.

De vrucht is langwerpig-eirond , circa 5 mM lang, glad, iets boven den voet van 2 zijdelingsche, naar onderen gerichte of kromme stekels voorzien, welke echter soms tot knobbels gereduceerd zijn. Zij draagt aan den top een ruwen stekel, die even lang als of langer is dan de vrucht. 2J-. 6-9 dM. Juli—September.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt vooral in Middenen Noord-Europa algemeen in slooten , vaarten en grachten voor en is ook bij ons vrij algemeen.

Familie 29. Polygonaceae Juss. Veelknoopigen.

Kruidachtige planten. Stengel geleed, met zeer ontwikkelde knoopen. Bladen verspreid, in den knoptoestand met omgerolden rand, aan den voet scheedeachtig (de scheede, het tuitje, zet zich boven de plaats waar de bladsteel er uitgaat naar boven voort en omgeeft als een kokertje den stengel).

Bloemen meestal tweeslachtig. Bloemdek blijvend, onderstandig, kelkof bloemkroonachtig, 3-6-deelig, vaak de 2 of 3 binnenste slippen grooter. De slippen liggen in den knoptoestand dakpansgewijze. Meeldraden 5-8, aan den voet van het bloemdek ingeplant, een buitenste, vaak alleen aanwezige krans met het bloemdek afwisselend, een binnenste, waarvan er meestal slechts 2 of 3 aanwezig zijn, voor de zijvlakken van het vruchtbeginsel staand. Helmknopjes 2-hokkig, overlangs openspringend. Vruchtbeginsel met 2 a 3 gescheiden stijlen. Vrucht een 2- of 3-, zelden vierkante, eenzadige noot, ingesloten door de slippen van het vaak opzwellende bloemdek. Zaad recht, met melig kiemwit.

Voorkomen der Polygonaceae. Tot deze familie behooren als echte hygrophyten Polygonuni amphibium (van deze is zelfs een bepaalde watervorm) en P. Hydropiper, terwijl P. Bistorta als weideplant hiertoe ook mag worden gerekend, verder Rumex Hydrolapathum en R. aquaticus, terwijl R. Acetosa weder weideplant is.

De naam van Rumex maritimus zou aan een halophyt doen denken, wat deze echter in 't geheel niet is.

Als ruderalplanten en akkeronkruiden moeten genoemd worden Polygonum aviculare, P. Convolvulus, P. dumetorum en Fagopyrum tataricum.

Tabel tot het determineeren der geslachten der Polygonaceae.

A. Bloemdek 4-to 6-deelig, meest 6-deelig, meestgroen. De buitenste slippen er van om de vrucht niet vergroot, afstaand of teruggeslagen, de 3 (of 2) binnenste na den bloeitijd vergroot, rechtopstaand, de meest driekante vrucht omsluitend . . . Huniex blz. 64.

B. Bloemdek 3-tot 6-deelig, meest 5-deelig, meest gekleurd, met meest tamelijk gelijke, alle om de vrucht rechtopstaande slippen. Vrucht lensvormig of driekant.

a. Bloemdek 5-(zeldzamer 4- of 6-)deeIig, meest bloemkroonachtig, aan de vrucht meest weinig vergroot. Meeldraden 4-8, de buitenste met de bloemdekslippen afwisselend, de binnenste 2 of 3, zoo zij aanwezig zijn, voor de zijvlakten van het vruchtbeginsel staand, alle aan den voet van het bloemdek ingeplant. Vruchtbeginsel door een (vaak ontbrekenden) klierachtigen ring omgeven, welks deelen met de meeldraden afwisselen. Stijlen 2 of 3, vaak aan den voet vergroeid. Vrucht in het bloemdek ingesloten, lensvormig of driekant. Kiem zijdelings, gekromd, met vlakke, langwerpige zaadlobben Polygonum blz. 73.

Sluiten