Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderste bladen zijn langgesteeld, meest stomp, langwerpig-lancetvormig met afgeronden of hartvorinigen voet, iets geoord, gegolfd-gekarteld, de middelste hart-lancetvormig, toegespitst.

De schijntrossen zijn alleen aan den voet bebladerd. De vruchtbloem-

dekslippen zijn lanceivormig-langwerpig, gaafrandig, 1 of 2 zonder knobbels. Overigens komt de plant veel met R. congloineratus overeen, doch zij is hooger en slanker. De bloemtrossen b.v. gelijken door het groot aantal bloemen, doordat deze zoo klein zijn en doordat de kransen van elkaar verwijderd staan, veel op die bij de andere, doch bij R sanguineus zijn ze bijna onbebladerd en staan de bloemtakken meest rechtop en zijn lang, terwijl zij bij R. conglomeratus bijna tot aan den top bebladerd zijn en de bloemtakken kort en uitstaand zijn. In den vruchttijd heeft bij R. sanguineus slechts 1 bloemdekblad een knobbel, die ook nog klein is, terwijl zij bij R. conglomeratus rlle en grootere knobbels bezitten.

Nog een verschil wordt opgegeven , ni. dat bij R. sanguineus het bloemsteeltje zijn geleding dicht aan den voet heeft, bij R. conglomeratus even onder het midden. Misschien zou het echter toch wenschelijk zijn, om zooals sommige floristen doen, R. sanguineus en R. conglomeratus tot een soort te brengen. 2J-. 6—9 dM. Juni—Augustus.

Als vormen onderscheidt men

z. viridis ') Sm. waarbij stengel, bladstelen en bladnerven groen zijn, en /. genuiniis -) Koch. waarbij diezelfde deelen bloedrood zijn.

Biologische bijzonderheden. Er komen bij deze soort ook mannelijke bloemen, zelfs mannelijke planten voor. De plant is op windbestuiving

aangewezen, daar spontane zelfbestuiving onmogelijk is door den stand der meeldraden ten opzichte der stempels.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt vooral in Midden-Europa voor en is bij ons op vochtige plaatsen vrij algemeen.

Een bastaard van R. sanguineus en R. obtusifolius, die de kenmerken van beide stamouders vertoont, is te Hertme bij Borne en in de Oude Plantage te Rotterdam gevonden.

R. crispus -1) L. Krulzuring. (Fig. 67).

Deze plant heeft een vleezigen, van binnen roodachtigen wortel en een krachtieen. recht-

opstaanden , kalen , kantigen stengel, die kort vertakt en los met bladen bezet is.

De bladen zijn lancetvormig, spits, met gegolfden rand, de onderste zijn aan den voet afgeknot of iets hartvormig, de bovenste hebben een versmalden voet, zijn kleiner dan de onderste en korter gesteeld.

') viridis = groen. !) genuinus = echt. >) crispus = gekroesd.

Rumex sanguineus

Fig. 66.

Fig. 67.

Sluiten