Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van de 2 bloemen van een bijschermpje is de eene langstijlig en tweeslachtig, terwij! de andere naast goed ontwikkelde meeldraden korte stijlen op een weinig ontwikkeld vruchtbeginsel bevat. De tweeslachtige bloemen bloeien het eerst en wel gaan die onder aan den schijntros vooraan. Eerst als de bovenste dier bloemen zich heeft geopend, komt de beurt aan de stuifmeelbloemen en wel ook weer eerst aan de onderste. De langstijliKe bloemen zijn sterk proterandrisch. In het begin van den bloei steken de open helmknopjes I mM uit het bloemdek, doch de stijlen zijn nu nog kort. Nu kan alleen stuifmeel van deze bloemen door insecten weggehaald worden. Spoedig vallen echter de helmknopjes af en nu verlengen zich de stijlen en steken wel 3 mM uit de bloemen; zij staan omstreeks op de plaats, waar eerst de helmknopjes stonden. Al spoedig is nu de geheele schijntros met rijpe stempels bezet, die nu stuifmeel van andere planten kunnen ontvangen. Nu openen zich al spoedig de meeldraadbloemen en de knopjes steken 3 mM uit het bloemdek en komen met de nog steeds rijpe stempels van naburige bloemen in aanraking. Daarna vallen deze bloemen al spoedig af, zij hebben dus gediend als reserve-bloemen, om

vormige, spitse bladen.

De schijntrossen zijn eindstandig, meest alleenstaand, doch soms staat er een meest kortgesteelde zijdelingsche naast.

De bloemen zijn vaak 2-huizig veeltelig. Meeldraden zijn er 5 (4) aan sommige exemplaren half zoo lang als het rose of roodachtig witte bioemdek soms onvruchtbaar, aan andere langer dan het bloemdek. vruchtbaar. Stijlen zijn er 2, deze zijn aan den voet vergroeid. De vrucht is aan weerszij en gewelfd, scherpkantig, 3 mM groot, samengedrukt eirond, schitterend bruin. if. 3-15 dM. Juni—Augustus, soms nog later.

De 2 vormen zijn:

*. natans*) Mnch. De stengel zweeft in het water, is cylindrisch en wortelt aan den voet Naar boven is hij roodachtig en onbehaard en draagt daar vooral vele drijvende bladen. Deze bladen zijn langgesteeld , meest langwerpig iets spits, lederachtig, evenals de vliezige tuitjes kaal. De lagere bladen zijn lang gesteeld, lancetvormig, aan den voet scheef afgerond of hartvormig, ook lederachtig. De bladen zijn boven glanzend. De bloemen steken boven water uit.

') amphibium = tweeslachtig. ") natans = zwemmend.

nog bestuiving te bewerken, zoo insectenbezoek mocht zijn uitgebleven.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa op beschaduwde, vochtige plaatsen in weiden en bosschen voor en is ook bij ons vrij algemeen.

p. amphibium') L. Veen wortel. (Fig. 76).

Deze plant heeft een langgeleden, vertakten, ver voortkruipenden wortelstok, waaruit in het water zwevende, lange of op het droge, opstijgende of soms rechtopstaande, kortere stengels komen. Deze dragen in het water langwerpige, vaak bijna eironde, op drogen bodem lancet-

Polygonum amphibium

Fig. 76.

Sluiten