Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,5. terréslre ') Leers. Hier is de stengel rechtopstaand, klierachtig behaard en gelijkmatig bebladerd. De bladen zijn meest lancetvormig, kortgesteeld , evenals de kortgewimperde tuitjes aangedrukt kort en stijfbehaard, waardoor zij iets ruw aanvoelen. Op plaatsen, waar het onderste deel van den stengel nog in het water ligt, is de stengel opstijgend, doch zijn ook de onderste bladen al korter gesteeld dan bij den watervorm. De bladen van den landvorm zijn doffer groen (de geheele plant is dit trouwens) en zijn niet lederachtig.

Als zij niet bloeit, kan deze plant gemakkelijk met P. tomentosum verwisseld worden.

Merkwaardig is het, dat men den water- en den landvorm soms op denzelfden wortelstok vindt, zoodat men dan ook deze vormen niet met variëteiten gelijk mag stellen.

Biologische bijzonderheden Deze plant doet de water- en landvormen even gemakkelijk ontstaan. Beide vormen gaan zeer gemakkelijk in elkaar over, want wordt een plas, waar watervormen staan, drooggelegd, dan ziet men het volgend jaar dadelijk den zuiveren landvorm.

Uit de beschrijving van den watervorm is gebleken, dat werkelijk alle eigenaardigheden van waterplanten met drijvende bladen hier aanwezig zijn (zie bij Nyniphaea en in de inleiding). Voegen wij hieraan nog toe, dat ook hier de bovenvlakte der bladen het water niet laat uitvloeien , dat in zulke bladen sterk ontwikkelde luchtkanalen voorkomen , dat de huidcellen om de huidmondjes als papillen uitsteken, waardoor de laatste niet gemakkelijk door water verstopt kunnen raken, dat de bloemen boven water uitsteken, dat de vruchten op het water drijven , dus door waterstroomingen of door waterdieren verspreid kunnen worden, dan is het duidelijk, dat de watervorm goed voor zijn leven is ingericht. Bij den landvorm zijn al de bijzonderheden van den bouw van stengel en bladen dienstig om de plant voor het landleven geschikt te maken en de klierachtige beharing der stengels is een uitstekend middel om de plant te beschutten tegen opkruipende dieren, welke beschutting bij den watervorm overbodig is

Bouw der bloem. Vaak komen bij deze plant eenslachtige bloemen voor, doch meestal gemengd met tweeslachtige. Deze laatste zijn dimorph (tweevormig). In den kortstijligen vorm is het bloemdek tijdens den bloeitijd wijd trechtervormig geopend inet een 4 mM wijden ingang, waarin de 2 stempels staan, terwijl de 5 meeldraden er l'Jj a 2 mM boven uitsteken. In den langstijligen vorm is de ingang veel nauwer. Daaruit steken de stijlen 1 '/* mM, terwijl de helmknopjes circa 1 mM onder de opening staan. Kan in den kortstijligen vorm gemakkelijk zelfbestuiving plaats grijpen, kruisbestuiving door insecten is echter het meest aangewezen en deze worden naar de bloemen gelokt door den honiggeur en de opvallende kleur der bloeiwijzen en zij vinden in de bloemdekbuis honig, die afgescheiden wordt door den klierring aan den voet van het vruchtbeginsel.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt algemeen voor in geheel Europa aan en in slooten, grachten en vijvers en op bouw- en weiland. Zij is ook bij ons algemeen.

Volksnamen. In Groningen, Twente en West-Friesland heet de plant

') terrestre := op de aarde groeiend.

Sluiten