Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— CHENOPODIACEAE. —

Familie 30.

bb. Klierachtig kort behaard. Bladen stomp bochtig vinspletig, met meest stompe

h ven°sTePevP "f '"T"'. dC b0VenS,e Bloeiwijzen los de

slippen da" h"n schu,b,ad- Bloemdek met ongekielde

Chenopodiastrum Aioq. Tand. ' Zonder klieren, vaak (door vroeg Srschromp^ïenï

Mallig f-TlachS Ste'ni'ne|de 'laren'.1,1 cc 1 ach 1 hesloven, overigens kaal. Bloemen D.'Ln f ,Stu"pels kort- Klem het kiemwit als een volledige ring omgevend aa. Bladen gaafrandig Bloemdekslippen ongekield. Zaden glanzig. met fijne puntjes «. Bladen eirond tot langwerpig-eirond. langgesteeld. de hoogere langwerpig tot lancetvormig. Bloeiwijzen los. Bloemdek om de vrucht open.

'' Mecjach'* Bladen ruilvormig-eirond.

bloemdek'gesloten "" Ve™*d' P'-'-n vormen. Vrucht-

bb. Bladen getand, vrij lang gesteeld. 'n,V,lrla "lz' ,0°-

o. Bladen met hartvormigen voet. niet meelachtig bestoven, eirond-driehoekig

mend wi'pr fe'*nd ' B,oemen kluwens, een onbebladerde pluim voriiiet lint és afstaan. Bloemdekslippen ongekield. Zaden gegroefd

, i 'CS ' Iivliriiliini blz. 101

fi. Bladen met afgeknotten of versmalden voet, althans in het begin meelachtitf bestoven.

na. Zaad dof, scherp gekield (zwart). Bladen eirond-ruitvormig, spits of toegespitst, glanzend. Bloeiwijzen vrij los, tot afstaande pluimen vereenigd.

C' niurale blz. 101.

/*/ƒ. Bloeiwijzen kluwens vormend. Zaad glanzend. Stengel groen en wit gestreept.

I. Bladen glanzend, met kort wigvormigen voet. Bloemdek de vrucht met geheel bedekkend, met ongekielde slippen. Bladen drienoekig, spits. Bloemen in kluwens tot stijf rechtopstaande schijnaren vereenigd. Zaden met zeer fijne puntjes. urhicnm blz. 102. I I. Bladen dof, meest met wigvormigen voet. Bloemdekbladen de vrucht geheel bedekkend, met gekielde slippen.

§. Zaden met zeer fijne puntjes.

L.. Bladen omstreeks dubbel zoo lang als breed, de middelste en bovenste meest spits. O. album blz. 102. ü_. Onderste en middelste bladen rondachtig- of eirondruitvormig, iets 3-lobbig, de middenlob weinig langer dan de zijlobben, meest afgeknot of stomp.

7 j opulifolluni blz. 103,

sv Zaden met groefjes, stomprandig. Middenlob der bladen vele malen langer dan de zijlobben , met bijna evenwijdig loopende „ „ . .. zijranden, afgeknot of stomp. . . . c. tielfolium blz. 104

B. HUtum Trn. Zaden (ten minste ten deele) rechtopstaand, glad. Plant kaal soms bestoven, zonder klieren. Bloeiwijzen kluwens vormend. Bloemdek de vrucht'niet geheel bedekkend.

a. Bladen meest getand. Stempels kort.

aa. Pseudoblitum Gren. Meeldraden (althans in de middelste bloem der bloeiwiize) 5, overigens meest 3. Bloemdek om de vrucht niet of slechts weinig vleezig Zaden glanzig. Kiem ringvormig het kiemwit omgevend aaa. Bladen langwerpig, meest stomp, van onderen blauwgroen of witachtig meelachtig bestoven. Zaden meest horizontaal met eenige rechtopstaande

, , er ««ssehen. scherp gerand. C. gluueun. blz. 104,

bbb. Bladen in omtrek eirond-ruitvormig, meest bijna spiesvormig, 3-lobbig glanzend, onbestoven. Zaden stomprandig, die der middelste bloemen Horizontaal .... „

.... „ „, ruliruin blz. 105.

bb. Morocarpus Rupp. Bloemdek om de rijpe vrucht vleezig, scharlakenrood, met ongekielde slippen. Zaden alle rechtopstaand, weinig glanzend. Kiem hoefijzervormig. Plant onbestoven.

aaa. Stengel tot aan den top bebladerd. Bladen in omtrek langwerpig-ruitvormig, met wigvormigen voet, ingesneden, toegespitst getand. Bloeiwijzen alle in de oksels van gewone bladen, van elkaar verwijderd. Zaden aan den rand afgerond. gootvormig verdiept, (j. foliosum blz. 106.

Sluiten