Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan dezen, evenals bij C. opulifolium en bij C. ficifolium vaak een purperkleurige vlek.

De bloemen zijn tot meelachtig bestoven kluwentjes vereenigd, die een smalle of uitgespreide pluim vormen , welke geheel naakt of aan den voet bebladerd is. Het bloemdek bedekt de vrucht geheel en heeft gekielde

slippen. De zaden zijn 1 't niM lang, zwart, horizontaal, glanzend en glad, met scherp gekielden rand. O. 1,5—10,5 dM. Juli—Herfst.

De soort is zeer veelvormig. Men onderscheidt als vormen:

«. spicdtum ') Koch. Plant dik witmelig bestoven. Bloeiwijzen tot dichte, rechtopstaande schijnaren vereenigd. Algemeen.

jS. cymigerum ■) Koch (C. viride L ). Plant groen, weinig bestoven Bloeiwijze los pluimvormig. Vrij algemeen.

y. lanceohitum3) Miihlenb. Bladen langwerpiglancetvormig tot lancetvormig, bijna of geheel gaafrandig. Bloeiwijzen in afgebroken schijnaren. Zeldzaam.

o. microphyllum ') Coss. et Germ. (C. lanceolatum Merat.) Plant liggend, niet kleine bladen. Zeldzaam.

Biologische bijzonderheid. De bloemen zijn meest sterk proterogynisch. De 3, zelden 2, draadvormige stempels zijn al geschikt om stuifmeel op te nemen, als de bloem nog slechts de halve grootte van later heeft, steken dus al uit den knop naar buiten. Is de bloem ontloken, dan zijn de stempels al verdroogd, de 5 meeldraden staan nu uit de bloem, terwijl de bloemdekslippen uitgespreid staan. Als de helmknopjes openspringen, sluiten zich deze weer, zoodat de meeldraden geklemd zijn tusschen die bloem¬

dekslippen. Zelfbestuiving is hier natuurlijk uitgesloten , kruisbestuiving heeft meest door den wind plaats.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa voor op plaatsen, die rijk zijn aan organische stoffen en ook op akkers. Zij is ook bij ons algemeen.

Volksnamen. Deze algemeen bekende plant heeft, behalve den naam luismelde, die in vele streken gebruikt wordt, ook de namen , blauwe melde, stokmelde en groote melde (Friesland), meyen (ZuidHollandsche eilanden en Zeeland).

C. opulifolium5) L. Snecu wbal-ganzevoet. (Fin. 103).

Deze plant is meestal «rijs meelachtig bestoven en heeft een rechtopgaanden. hoekig rondachtigen, onbehaarden stengel, soms met zwakke takken.

De onderste en middelste bladen zijn rondachtig- of eirond-ruitvormig, ongelijk getand, iets drielobbig. De middenlob is weinig langer dan de zijlobben, meest afgeknot of stomp. De hoogere bladen zijn smaller en spitser. Alle zijn ze gesteeld . met een wigvormigen voet.

') spicatum = aardragend. ') cymigerum — bijschermachtig. -) lanceolatum = lancetvormig. ') microphyllum = kleinbladig. s) opulifolium = sneeuwbalbladig.

Chcnopodium album

Fig. 108..

Crcnopodium *»*»n!ifoliura Fig. 109.

Sluiten