Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gianzena, vaaK rooaacntig is en los met bladen is bezet.

De bladen zijn langgesteeld, eirond of lepelvormig, naar den top uitgerand met een stekelpuntje in de insnijding. De rand is vaak gegolfd, de bladen zijn van onderen glanzend, meest met een witte, zeldzamer met een roode vlek.

De bloemen zijn groenachtig en zitten in okselstandige kluwens of schijnaren, die echter boven aan den stengel een dichte, onbebladerde pluim vormen. De schutbladen zijn driehoekig-lancetvormig, korter dan de lancetvorniige, grijsgroene, breed wit gerande, spitse bloemdekbladen. Meeldraden zijn er meest 3. De vrucht is circa 1 '/2 maal zoo lang als breed, bijna spits, langer dan het bloemdek en springt meest niet open.

Biologische bijzonderheden. Ook deze plant heeft weer windbloemen, die proterogynisch zijn en de vrouwelijke bloemen zijn in veel

grooter aantal aanwezig dan de mannelijke.

Albersia Blitum.

Fig. 134.

a. mannelijke; b. vrouwelijke bloem ; c. rijpe vrucht met zaad.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa op bebouwden grond voor en is ook bij ons vrij algemeen.

A. defléxus ') Gren. (Aniarantus deflexus L.). Kromme majer (lig. 135).

Deze plant gelijkt veel op de vorige, doch de stengel is naar boven behaard. De bladen

zijn ruitvormig-eirond, toegespitst, aan den top iets spits of stomp, zelden uitgerand.

De schutbladen zijn omstreeks zoolang als het bloemdek, smaller en spitser dan bij de vorige soort.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant behoort in Zuid-Europa thuis, doch is bij ons bij Rotterdam en Amsterdam als aangevoerd waargenomen.

Albersia deflexus

Bloemen 2-slachtig. Bloemdek 5-bladig, evenals de 2 kleine schutblaadjes droogvliezig. Meeldraden 3, zelden 1 of 5, aan den voet tot een bekken-

Fjg |35 vormigen ring vergroeid, doch met gescheiden

neimnoKjes. stempels op een zeer Korten stijl zittend. Vrucht eirond, vliezig, samengedrukt, niet openspringend, omgeven door het niet veranderde bloemdek. Zaden als bij Amarantus.

Bloemen alleenstaand, okselstandig, zittend. Bladen zeer talrijk, verspreid, de onderste tegenoverstaand, zittend, lijn-priemvormig, stekelpuntig, bijna driekant, aan den voet met droogvliezige randen.

3. Polycnémum L.2) Knar kruid.

') deflexus = afgebogen. ') van 't Qrieksche polys: veel en cnémê: geleding, lid, dus: plant met veel leden, die door de wat gezwollen knoopen duidelijk te onderscheiden zijn.

vertakten, liggenden of opstijgenden stengel, die doorschijnend, glas-

Sluiten