Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een deel der takken ligt meest op den bodem, andere staan rechtop of zijn opstijgend.

De bladen zijn smal lancet- tot lijnvormig, spits.

De bijschermen zijn oksel- en eindstandig. De bloemen zijn klein, groen. De kelkslippen zijn lijn-lancetvormig, smal gerand, uitgespreid en een weinig open na den bloeitijd, in een rechte punt versmald.

De vruchtkelk is 4 a 4'/2 mM lang, glad, met een buis, die aan den top niet vernauwd is, doch wel aan den voet versmald, even lang als de slippen.

De vrucht is 1 a 2-zadig. O. 5—20 cM. Juli—Herfst.

Biologische bijzonderheden. In de bloemen zijn meestal slechts 2 a 3 vruchtbare buitenste en 1 of meer vruchtbare binnenste meeldraden. De bloemen worden ondanks dat er vrij wat honig wordt afgescheiden, weinig of niet door insecten bezocht en zijn dan ook meest op zelfbestuiving aangewezen.

De wijze, waarop de bloem zich gedraagt, is bijna als bij S. perennis, doch de kelkslippen bewegen zich bij het opengaan niet zoover naar buiten en de bloemen zijn homogaam, zoodat zelfbestuiving gemakkelijker kan optreden.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in Europa op bebouwde en

onbebouwde zandgronden voor en is ook bij ons algemeen, ook op löss.

Volksnamen. De plant heet in den Achterhoek van Gelderland kommerbloempje, bij Barneveld kruipspurrie, in Noord-Brabant waterspurrie.

S. perénnis ') L. Overblijvende hard bloem. (Fig. 143).

Deze plant is door de bebladerde uitspruitsels, die zij maakt, meer zodevormend dan de eerste. Zij is blauwgroen met

een penwortel, waaruit een aan den voet reeds vertakten stengel komt, die meest opstijgend en behaard is en krachtiger dan bij de vorige. De takken staan naar alle zijden uit, de onderste liggen soms op den bodem. Vrij vaak is de plant beneden rood aangeloopen.

De bladen zijn lijnvormig, spits.

De bijschermen staan meest alleen eindelings. De bloemen zijn groenachtig wit. De kelkslippen zijn langwerpig, stomp, breed wit gerand samenneigend en aan den vruchtkelk gesloten, zonder gekromde punt. De vruchtkelk is 4'/2 mM lang, glad, met niet samengetrokken buis, even lang als of iets korter dan de kelkslippen. O. 5-20 cM. Mei—Herfst.

Scleranthus annuus

Fig. 142.

a. bloem, b. vruchtbeginsel, c. bloemdek opengesneden en uitgespreid, d. vrucht.

JtltJl «lllUlUb (JUI Ol-li-O

Fig. 143.

) perennis = overblijvend.

Sluiten