Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Biologische bijzonderheden. De 10 meeldraden buigen zich met de kelkslippen bij het opengaan der bloem naar buiten en dan openen zich de helmknopjes. Wel buigen zij op dienzelfden dag ook weer naar binnen, doch later nog sterker naar buiten. In dien tijd bezoeken vele kleinere insecten, vooral vliegen, kleinere bijen, sluipwespen en mieren de wel reukelooze en niet sterk opvallende bloemen, halen honig van den klierachtigen ring aan de keel van den kelk en bewerken dan ook kruisbestuiving. Op den volgenden dag krommen zich de meeldraden naar binnen en komen met de rijpe stempels in aanraking, zoodat nu spontane zelfbestuiving kan plaats hebben.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa, doch vooral in Midden-Europa op drogen zand- en heidegrond voor en is' ook bij ons vrij algemeen.

Onderfamilie 3. Alsinoideae Engl.

Bladen tegenoverstaand, meest zonder steunbladen, vaak zittend. Bloemen regelmatig. Kelk 4-5-bladig of -deelig, blijvend. Kroonbladen 4-5, zelden ontbrekend. Meeldraden 4-10, soms nog minder, vrij, op een uit klieren gevormden ring ingeplant. Geen vruchtdrager (d. w. z. de vrucht niet gesteeld binnen den kelk). Vruchtbeginsel 2-5-hokkig, doch meestal 1-hokkig, met centralen zaaddrager en 2-5 stijlen of stempels. Vrucht een doosvrucht met kleppen of tanden openspringend. Het aantal tanden is meest dubbel zoo groot als het getal stijlen.

Biologische bijzonderheden. Bij de meeste soorten zijn de bloemen klein en vallen, zelfs als zij tot bloeiwijzen vereenigd zijn, niet sterk op. Zijn de bloemen grooter, dan voeren de bewegingen der meeldraden en stijlen zelden tot bestuiving en is dus kruisbestuiving door insecten de aangewezen weg tot zaadvorming. Door de losbladige kelk kunnen zich bij deze de kroonbladen vrij uitspreiden, hetgeen dan ook in den zonneschijn geschiedt en dan wordt de honig, die aan den voet der meeldraden afgescheiden wordt, goed zichtbaar en komen vliegen en bijen met korte slurven de bloemen bezoeken en bewerken tegelijk kruisbestuiving. Meestal zijn de bloemen min of meer proterandrisch en wel des te meer, hoe grooter de bloemkroonbladen zijn, dus de kans op kruisbestuiving grooter is.

Bij de kleinere bloemen is het insectenbezoek gering en is meestal spontane zelfbestuiving verzekerd. De bloeitijd is daar meestal kort en de bloemen zijn daar niet eens gedurende dien geheelen tijd open.

Bij de meeste soorten komen ook vrouwelijke bloemen voor, die kleiner zijn dan de 2-slachtige. Vooral is dit het geval bij die soorten, welke een normaal aantal meeldraden hebben, daar treft men zelfs vrij vaak vrouwelijke planten aan.

5. Spérgula ') L. Spurrie.

Kelkbladen 5. Kroonbladen 5, gaafrandig. Meeldraden 5-10, op een klierachtigen ring ingeplant. Stijlen 5, met de kelkbladen afwisselend. Doosvrucht met 5 diepgaande kleppen, die tegenover de kelkbladen staan, openspringend. Zaden talrijk, lensvormig, gevleugeld of gekield.

2adenVgëmakkdiikSuCl1tLooTenere: uits,rooien' helReen daaroP slaat' dat deze Plan,c" h

Heukels, Flora. Q

Sluiten