Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vorm a. arvensis is algemeen in het wild, de vorm |S. sativa is in het wild zeldzaam, doch wordt veel als veevoeder gekweekt, de vorm y. maxima is zeldzaam, doch wordt ook gekweekt.

Volksnamen. Deze algemeen gekweekte plant wordt wel in de meeste streken spurrie genoemd, doch heeft in Groningen ook den naam bokkebaard. In Groningen, Friesland, Drente en den Gelderschen Achterhoek heet zij miere, in de zandstreken van Friesland honnemier, in Westerwolde strikkel, in Groningen, Drente en het oosten van Gelderland watergal en watergeil, terwijl zij op Overflakkee broertjes heet.

S. Morisónii') Bor. (S. vernalis2) Willd.). Heide spurrie (fig. 145).

Uit den penwortel komt ook hier een dicht bij den voet vertakten stengel.

n,i I I-i. ; 1 _ .. < °

1ah.ft.c11 wuruen eunier minaer noog uan dij arvensis. Zij zijn opstijgend of rechtopstaand, onbehaard of klierachtig behaard, meest blauwgroen. Zij dragen gewoonlijk slechts 2 (schijnbare) bladkransen (bij S. arvensis gewoonlijk 4).

De bladen zijn lijn-draadvormig, doch korter dan bij S. arvensis en zonder groef in de lengte. De steunbladen zijn zeer klein.

De bloemen staan in armbloemige bijschermen en zijn wit. De kelkbladen zijn ovaal, stomp en wit gerand. De kroonbladen zijn ovaal en stomp (fig. 145). Meeldraden zijn er 10, zelden tot 6. De doosvrucht is iets langer dan de kelk. De zaden zijn afgeplat

met een breeden, gestraalden vleugelrand (fig. 145) en hebben alleen aan de randen puntjes. De vleugel is bruinwit, half zoo breed als het zaad. OO. 7-30 cM. April—Juni.

De bladen zijn korter, de stengel is slanker dan bij de vorige soort.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt vooral in Middenen Noord-Europa op dorren zand- en heidegrond voor en is bij ons vrij zeldzaam, alleen op diluvialen zandgrond.

6. Spergulüria3) Prsl. Schij nspurrie.

Kelkbladen 5. Kroonbladen 5, gaafrandig. Meeldraden 10, soms minder. Stijlen 3, zeer kort, zelden 2 of 5. Doosvrucht tot aan den voet met 3 kleppen, die met de kelkbladen afwisselen, openspringend. Zaden samengedrukt, ovaal-driehoekig of peervormig, al of niet gevleugeld. Bloemen wit, rose of lila, in bijschermen.

Bladen lijnvormig. In de oksels der bladen zijn vaak korte takjes aanwezig, die echter niet zoo zijn, dat de bladen in kransen schijnen te staan. Bloemstelen na den bloeitijd naar beneden geslagen , na het uitstrooien der zaden weer rechtopstaand.

Kruidachtige, meest klierachtig behaarde planten.

Spergula Morisonii

Fig. 145.

;i ') naar den Engelschen botanicus uit de 17e eeuw, R. Morison. ') vernalis = voorjaars. ) afgeleid van Spergula; beide geslachten komen nog al veel overeen.

9*

Sluiten