Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt de soort met de vorige overeen. 1,5-3 dM. Juli—September.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa op zilte klei voor en is bij ons vrij algemeen.

7. Sagina ') L. Vetmuur.

Kelkbladen 4-5. Kroonbladen 4-5, gaaf of iets ingesneden, soms ontbrekend. Meeldraden 4, 5 (of 10), tegenover de kelkbladen staand. Stijlen 4-5, met de kelkbladen afwisselend. Doosvrucht zich bijna tot aan den voet met 4-5 kleppen openend. Zaden talrijk, klein, niervormig.

Bloemen wit of groenachtig, klein, alleenstaand op okselstandige stelen of eindelings. Bladen lijnvormig. Kleine, teere puntjes.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Sagina.

A. Kelkbladen 4. Meeldraden 4. Doosvrucht 4-kleppig.

a. Stengel aan den voet wortelend, liggend of opstijgend. Vruchtstelen haakvormig gekromd, ten slotte weer rechtopstaand S. procunibeas blz. 134.

b. Stengels rechtopstaand of opstijgend, niet wortelend. Vruchtstelen recht of weinig gekromd.

aa. Beide buitenste kelkbladen stekelpuntig. Bladen lijnvormig, aan den voet soms gewimperd, met stekelpunt. Kroonbladen zeer klein, spoedig verdwijnend-

8. apetala blz. 135.

bb. Kelkbladen alle stomp. Bladen lijnvormig, dik, stomp of met een kort spitsje. Kroonbladen zeer klein of ontbrekend S. strleta blz. 136.

B. Kelk- en kroonbladen 5 Meeldraden 5 of 10. Doosvrucht 5-kleppig.

a. Kroonbladen even lang als de kelk. Bladen lijnvormig, toegespitst, stekelpuntig. Bladranden even als het bovenste deel van den stengel en de bloemstelen iets behaard S. suhnlata blz. 136.

b. Kroonbladen dubbel zoo lang als de kelk. Onderste bladen lijn-draadvormig, kortstekelpuntig, de hoogere kort, in de oksels een bundeltje bladen dragend. Bladranden, stengel en bloemstelen kaal of klierachtig behaard. . S. uodosa blz. 136.

S. procümbens-) L. Liggende vetmuur (fig. 151).

Deze plant is zodevormend en onbehaard. Op den teeren wortel zit een wortelroset van bladen en daaruit ontspringen vele

stengels, die ten deele liggend, doch meest opstijgend zijn en aan het onderste deel in de knoopen wortelen. Die stengels zijn zeer dun, draadvormig en geelgroen, evenals de bladen.

De bladen zijn lijnvormig, aan den voet vergroeid , stekelpuntig. De bloemen zijn groenachtig, staan op draadvormige stelen, welke als de bloem nog knop is, gebogen zijn, tijdens den bloeitijd rechtopstaan (fig. 151), tijdens den vruchttijd aan den top haakvormig gekromd zijn, om eindelijk na het uitstrooien der zaden weer rechtop te gaan staan.

De kelkbladen zijn ovaal, stomp, uitgespreid, van buiten groen, van binnen geel met een smallen, witten rand. De kroonbladen zijn ovaal,

') sagina beteekent meststof, om te doen blijken, dat de planten eerder als mest dan als voeder te gebruiken zijn. Volgens anderen komt sagina van saginare = vetmesten, hetgeen dan ironisch zou gebruikt zijn, omdat de planten zoo klein en teer zijn, dat zij daarvoor in 't geheel niet in aanmerking zouden komen. '-) procümbens = neerliggend-

Sagina procümbens

Fig. 151.

Sluiten