Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Biologische bijzonderheden. Als de bloemen opengaan, openen zich de meeldraden en bieden stuifmeel aan de insecten, die natuurlijk niet in grooten getale op bezoek komen, voor kruisbestuiving, de stijlen liggen nu nog tegen elkaar, de stempels zijn nog niet geschikt om stuifmeel op te nemen. Doch al spoedig spreiden zij zich uit en de stempels komen zoo te liggen, dat de van andere bloemen komende insecten hun stuifmeel daaraan af kunnen geven. Daarna verlengen zich de meeldraden, komen op de hoogte der stempels, maar staan eerst nog schuin naar buiten. Tegen dat de bloem zich begint te sluiten, buigen zij naar binnen, leggen zich tegen de stempels en nu heeft er zelfbestuiving plaats, waarop natuurlijk ook de bloemen, die bij ongunstig weer gesloten blijven, aangewezen zijn. Terwijl de open bloemen naar boven staan, krommen zij zich naar beneden.

Zooals reeds vermeld is, draagt de stengel een rij haren, die in stand afwisselt aan de opeenvolgende leden. De bladstelen zijn iets gegroefd en de randen van die groef zijn gewimperd. De haarlijsten aan de stengelleden worden door regenwater bevochtigd en houden vrij wat water vast. Wat zij niet vast kunnen houden, geleiden zij naar beneden naar de bewimperde aanhechtingspunten der lagere bladen, waar de wimpers dit water vasthouden en er a. h. w. een ring van water om den stengelknoop staat. Wordt daar de hoeveelheid te groot, om te worden vastgehouden, dan glijdt dit langs de lager liggende haarlijst tot het volgend paar bladen. Zoo zijn na een regenbui al de haren door water omgeven en daar de onderste cellen dier haren in staat zijn dit op te zuigen, komt het de plant ten goede.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op allerlei bebouwde en onbebouwde gronden, door geheel Europa voor en is ook bij ons zeer algemeen. Vroeg in het voorjaar ziet men vele akkers er geheel als mee overdekt. De plant is als vogelvoedsel zeer bekend, de zaden vooral worden door kleine vogeltjes gaarne gegeten.

Volksnamen. Deze algemeen voorkomende plant heeft natuurlijk tal van volksnamen. Afgezien van de zeer algemeene meer, mier, miere, mure, murik, muring, muur, muurt, worden de namen arf en erf (Groningen en Friesland), endendarm (Walcheren), ganzenmuur (Overflakkee), hoendermuur (Friesland), hoenderdarm (Zeeuwsch-Vlaanderen) hoensnioes en hoezemoeze (Walcheren en Zeeuwsch-Vlaanderen), spiering (Overflakkee), vogelmuur en vogelkruid (West-Friesland, Zuid-Holland) en witte muur (West-Friesland , Achterhoek , Zeeuwsch-Vlaanderen) gebruikt.

S. Hoióstea ')L. Grootbloemmuur (fig. 164).

Uit den dunnen, langen wortelstok komt een aantal onbehaarde, korte, niet bloeiende en lange, opstijgende, aan de kanten ruwe, vrij broze bloemdragende stengels te voorschijn. Deze zijn vooral beneden vierkant.

De bladen staan tamelijk ver van elkaar, zij zijn zittend, stijf, lijnlancetvormig, van den voet af versmald, aan rand en onderzijde der nerven ruw.

De bloemen zijn groot, wit en staan in veelbloemige, ijle bijschermen. • De schutbladen zijn kruidachtig. De kelkbladen zijn lancetvormig, toege-

') Holostea is de vrouwelijke vorm van Holosteuin, dus heelbeen, doch de plant is in 't geheel niet beeni?.

Sluiten