Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

los gevorkt bijscherm. De kelk is naar boven vernauwd, 30-nervig, zonder adernet, dicht behaard, met 5 lancetvormige, zeer spitse tanden. De kroonbladen liggen in den knop gedraaid, zij hebben 2 kleine tandjes aan de keel, zijn klein, 2-lobbig. De bloemen zijn 2-slachtig. De doosvrucht is kegelvormig, spits, met zeer korten vruchtdrager en steekt niet uit den kelk (fig. 193). O. 1,5-4,5 dM. Juni, Juli.

Biologische bijzonderheden. Als de bloem zich opent, zijn de helmknopjes van den buitensten krans van meeldraden reeds opengesprongen en geven stuifmeel aan de insecten , dat voor andere bloemen kan dienen , doch niet in deze, daar hier de stempels nog ongeschikt zijn voor bestuiving. Dan vallen deze helmknopjes af en komen de stijlen en stempels te voorschijn, spreiden zich straalvormig uit en zijn geschikt om stuifmeel uit andere bloemen te ontvangen. Daarna komen ook de helmknopjes van den binnensten krans naar buiten en springen open. Zij staan op dezelfde hoogte en zijn in onmiddellijke aanraking met de stempels, zoodat nu ook zelfbestuiving plaats heeft. Dit alles geschiedt in den loop van één dag.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op zandig bouwland, rivierklei en in de zeeduinen voor, vooral in West-, Midden- en ZuidEuropa. Bij ons is zij vrij zeldzaam, komt het meest in de duinen voor, doch ook op rivierklei en op het diluviale zand, dat daaraan grenst.

S. otites') Sm. Geoorde silene. (Fig. 194).

Uit den korten wortelstok komt een roset van wortelbladen en daaruit

komen verscheiden bloeiende en met bloeiende stengels. De eerste staan rechtop, zijn kort behaard, naar boven kleverig.

De wortelbladen zijn spatelvormig, grijsgroenen gaan geleidelijk in den steel over. De stengelbladen staan ver van elkaar, zijn lancet- tot lijnvormig, spits, ook behaard.

De bloemen zijn geelachtig groen, rechtopstaand, gesteeld, zij staan in kleine kransen (eigenlijk tegenoverstaande bijschermen), die samen een smalle pluim vormen. De kelk is buis-klokvormig, onbehaard, met stompe tanden. De kroonbladen zijn lijnvormig, niet ingesneden, zonder schubben aan de keel. De planten zijn 2-huizig. De vruchtkelk

is ovaal, aan den top niet samengetrokken, heeft afgeronde tanden. De doosvrucht is eirond, met een zeer korten vruchtdrager. 24.. 2-6dM. Juni— September.

Biologische bijzonderheden. Uit den 4 mM langen kelk steken de kroonbladen slechts 2 a 3 mM uit, zelfs blijven zij er in de vrouwelijke bloemen wel bijna in. Aan den voet der bloem zijn wel honigkliertjes, doch deze scheiden in de mannelijke bloemen vaak geen honig af en de honig is vaak in de vrouwelijke langs den normalen weg niet te bereiken door de vaste aaneensluiting van den kelk en het vruchtbeginsel. In die uiterste gevallen zijn de bloemen op windbestuiving aangewezen, in andere op

') Otites = geoord , naar de lepelvormige bladen.

11*

onene <_mtes Fig. 194.

Sluiten