is toegevoegd aan uw favorieten.

De flora van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C. tomenlósa ') A.Br. (Lychnis coronaria Lnik). P r i k n e u s (fig. 202).

Uit den wortel, die naar boven verschillende hoofden draagt, komt het eerste jaar een

wortelroset van bladen, nei iweeue jaar i ui n.eei kkhuubc stengels, die al of niet gaffelvormig vertakt zijn en evenals de bladen een dicht grijsviltige beharing hebben.

De bladen zijn langwerpig, spits, gaafrandig, de onderste zijn in een korten steel versmald.

De bloemen zijn alleenstaand (zij staan eigenlijk in een zeer los, bebladerd bijsclierm), rood, zelden wit, groot, lang gesteeld De kelk is viltig, buis-klokvormig, met 10 ongelijke nerven en smal driehoekige tanden. De kroonbladen zijn ongedeeld met een stijf stekend tongetje aan de keel. De doosvrucht is langwerpig, sp«s, zonder vruchtdrager (fig. 202). 4. 6-9 dM. Juli, Augustus.

Vnnrknmpn in Rum na en in Nederland. De plant komt

voor op onbebouwde en rotsachtige plaatsen in Zuid-Europa. Coronaria tomentosum Bij ons komt zij alleen als sierplant voor en is enkele malen 202.

verwilderd (Meeden (Veensloot), Nieuw-Stadskanaal, Utrecht (Oudwijk), Arnhem, Piet Oijzenbrug , Noordwijk, Leiden (Groenhoven).

25. Mel&ndryum-) Rölil.

Kelk buisvormig 10-20-ribbig, met ribben die tusschen de kelktanden uitloopen 5-tandig.' Kroonbladen 5, 2-spletig, lang genageld, met 2 tandjes aan de keel. Meeldraden 10. Stijlen 3 of 5. Doosvrucht 1-hokkig, met 6 of 10 tanden openspringend. Zaden vele , niervormig, meest knobbelig.

Biologische bijzonderheid. Bij regen en dauw buigen zich de spiraalvormig omgebogen tanden der doosvrucht geheel weer naar binnen en

sluiten de vrucht geheel af.

De bloemstengels zijn meestal klierachtig kleverig en beletten daardoor opkruipende insecten om bij de bloemen te komen , om er honig uit te rooven.

Tabel tot het deterniineeren der soorten van het geslacht Melandryum. A Stijlen 3 Bloemen 2-slachtig, alleenstaand of in armbloemige bijschermen. Plant naar boven klierachtig zacht behaard. Tanden der doosvrucht omger°ldnootlHurllm b]z ,6g

B. Stijlen 5. Planten 2-huizig. Bloemen in losse bijschermen.

a Stengel naar boven klierachtig zacht behaard. Bovenste bladen lancetvormig.

Tanden der doosvrucht rechtopstaand. Bloemen wit ... ■ alliuiu blz. 170. b Stengel zonder klieren. Bovenste bladen langwerpig. Tanden der doosvrucht omgerold. Bloemen lichtpurper, soms wit " rubr,,,u blz- m-

M. noctiflórum ) Fr. (Silene noctiflóra L.). Nachtkoekoeksbloem (fig- 203).

Uit den penwortel komt een stengel, die soms reeds van den voet af gaffelvoimig vertakt is, doch soms ook geen takken heeft. Deze is rechtopgaand, beneden ruw, boven klierachtig zachtharig.

De onderste bladen zijn langwerpig, kort gesteeld, spits, de bovenste lancetvormig of lancetpriemvormig, zittend, spits. Ook zijn zij kleverig, zoodat zij vaak met zand en aarde, die er aan zijn blijven kleven, bedekt zijn (verschil met Melandryum rubrum, ook de 3 stijlen).

Melandryum noctiflorum Fig. 203.

') tomentosa — viltig. ') naar G. Melandri, een Italiaansch plantkundige.

') noctiflorum = nachtbloemig.