Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kroonbladen verbonden zijn en 1 vruchtbeginsel met een stijl met 4-6 takken. Het vruchtbeginsel is aan den voet met den kelk vergroeid De doosvrucht is ovaal, springt overdwars met een deksel open (fig ?07) is veelzadig, eerst omsloten door de kelkslippen, doch deze vallen bij het

?PKeöS^,nge? der VmCht af" De zaden ziJ'n zwart- rond- glimmend. O 1,5-3 dM. Juni—Herfst.

Biologische bijzonderheden. De bloemen zijn slechts gedurende één dag optil en wel slechts een 5 tal uren op zonnige voormiddagen.

In de bloemen bevindt zich een het vruchtbeginsel overdekkende ringvormige verhevenheid, waarop aan den binnenrand de meeldraden, aan den buitenrand de kroonbladen vastzitten en tusschen deze inplant'ingsplaatsen is de verhevenheid met glasheldere papillen bezet, die wel geen vocht afscheiden, maar door de kleine insecten (vliegen, mieren), die de bloemen bezoeken, soms werkelijk afgegraasd worden. De 5(4-6) stempels gelijken op kleine veertjes en spreiden zich in de wijd openstaande bloemkroon stervormig uit. De in schuine richting uit den voet der bloem oprijzende meeldraden staan in een kring om de stempels, zoodat er bij het opengaan der bloem een kleine afstand is tusschen deze en er dus van zelf geen stuifmeel op de stempels kan komen. In dien tijd kunnen de bezoekers kruis- en zelfbestuiving bewerken. Na eenige uren naderen echter de schaalvormig uitgespreide kroonbladen elkaar (de bloem begint zich te sluiten), de vedervormige stempels rollen zich geleidelijk spiraalvormig op, maar ook de helmdraden gaan zich eerst boogvormig naar binnen buigen en daarna schroefvormig krommen, waardoor de helmknopjes tegen de stempels gedrukt worden en spontane zelfbestuiving niet uit kan blijven.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant behoort thuis in Midden- en Zuid-Europa, doch wordt bij ons algemeen gekweekt als groente en is nu en dan, echter zeldzaam, verwilderd gevonden. De gekweekte plant is forscher dan de wildgroeiende en wordt wel als var 5. sativa opgegeven. Het schijnt echter, dat die krachtiger bouw alleen door den aard van den bodem teweeg wordt gebracht.

2. Móntia ') Mich. Montia.

Kelk 2-(3-)spletig, blijvend. Bloemkroon trechtervormig, met een aan de eene zijde gespleten buis en een 5-deeligen zoom, waarvan 3 slippen kleiner zijn dan de 2 andere. Meeldraden 3, zelden 4-5, aan den voet der kleinere slippen ingeplant. Vruchtbeginsel met 1 stijl, welke in 3 takken uitloopt. Doosvrucht bijna bolrond, zich overlangs met 3 kleppen openend, 2-3-zadig. Zaden zwart. Bloemen klein, wit, gesteeld, in eind-en schijnbaar zijstandige, 1-5-bIoemige bijschermen, eerst hellend, later opgericht.

Plant eenigszins vleezig. Stengel enkelvoudig of vorksgewijs vertakt. Bladen tegenoverstaand, omgekeerd eirond of langwerpig-spatelvormig, in een korten steel versmald. De scheeden der over elkaar staande bladen gaan in elkaar over.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Montia. A. Plant eenjarig, tijdens den bloeitijd aan den voet zonder niet-bloeiende takken.

a. Zaden bijna dof, grof gestekeld }|. minor blz. 175.

b. Zaden glanzend, met zeer broze zaadhuid M. lamprosperma blz. 175.

') naar G. Monti, professor in plantkunde te Bologna, f 1760.

Sluiten