Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Montia rivularis

Fig. 209.

M. rivularisi) Gmel. Watermontia (fig. 209).

Deze plant is levendig groen en heeft in het water een zwevenden stengel daarbuiten een liggenden en aan den voet wortelenden, verder opgerichten en vertakten stengel, die veel krarhtiapr i= h,-; */. UI1UI

de takken slap hangen kracht,ger ,s dan b,j M. m.nor en waarvan

voren 'afgerond!" Spate'V°rmig °f la"gwerPig, langer dan bij M. minor, naar

De bloemen zitten meest in zijstandige bijschermen, die uit een knoop

komen , waar 2 tegenoverstaand pn apiiiko

«-» — — • ■ {jvujnw uiuuv.il

staan. De vruchten zijn knikkend, de zaden schitterend zwart, fijn gestekeld, glanzig. 1-2 dM. Mei—September.

De plant gelijkt vrij veel op M. minor, doch men onderscheidt haar gemakkelijk, doordat zij het geheele jaar door groeit (ook des winters groen blijft), waardoor alle bloeiwijzen op zijde gedrongen schijnen en door de, bij het drogen (althans aan de jongere takken) groen blijvende bladen, terwijl die bij M. minor reeds in verschen staat geelgroen zijn en bij het drogen geheel geel worden. Reeds bij M. minor is gezegd, dat M. rivularis veel niet nnHprcrpHnL'nn \mrman iro«

- v ui IIICII V rtll

, . .. . Lalhtriche overeenkomt. Ook hier zijnde aan den

voet liggende en wortelende stengels teer, hebben lange ledin en tegenoverstaande, langwerpige met een breeden bladsteel voorziene, teere bladen Het is dan ook nog met uitgemaakt of M. minor en M. rivularis eigenlijk met door de verschillende groeiplaats gewijzigde vormen van één soó?t z! n

Nnnr7£°"'C" EUr0pa Nederland- De plant komt in Midden- en

vrij zeidza'am3 V°°r' Str°°mend water' vooral in beekjes, doch is bij ons

3. Claytónia 2) L.

C. perfoliata Don. Winterpostelein (fig. 210).

De plant is kaal, eenigszins vleezig en heeft verscheiden rechtopstaande

stengels, die een naar rnnrlaphti fro cnUcn non ^...

i . , ojjiioc, aali ucil

voet breed vergroeide bladen onder de bloeiwijze dragen. De wortelbladen zijn langgesteeld, ruitvormig-ovaal, spits, gaafrandig.

De bloemen zijn klein, wit en staan in eindehngsche, trosvormige bijschermen. De kelk is 2-spletig, blijvend. Kroonbladen zijn er 5, zij zijn even groot, genageld, aan den top iets verbonden. De 5 meeldraden zijn op de nagels der kroonbladen ingeplant. Het vruchtbeginsel draagt een 3-spletigen stijl. De doosvrucht springt door middendeeling der vruchtbladen overlangs met 3 kleppen open en is 3-6-zadig. De zaden zijn zwart, glad, glimmend. ©. 1-2 dM. April, Mei.

Claytónia perfoliata

Fig. 210.

') rivularis _ beek. ') naar j. Clayton, een geneesheer in Virginië f 1773

') perfoliata = doorgroeidbladig. g ^

Sluiten