Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanraking van bezoekers (dit zijn stuifmeel verzamelende bijen en vliegen, want de bloem bevat geen honig) en als deze op liet midden der bloemkroon aanvliegen, zullen zij gewoonlijk kruisbestuiving bewerken. Bij uitblijvend insectenbezoek valt er later in de eenigszins schuinstaande bloem ook stuifmeel op de eigen stempels en treedt er dus zelfbestuiving op. De bloem is proterogynisch.

De vruchten zijn zeer klein en worden door den wind verspreid.

Volksnamen. Behalve boschanemoon wordt de plant ook boschbloem (Zuid-Limburg), boschhanevoet (Friesland , Graafschap Zutphen , Utrecht), hanepoot (Friesland), koekoeksbloem (Overijsel, oostelijk deel van Gelderland) en putebloem (d. i. kikvorschbloem) in het Westelijk deel van NoordBrabant genoemd.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De boschanemoon komt in geheel Europa algemeen voor op humusrijken, eenigszins vochtigen, beschaduwden grond, vooral in bosschen. Ook in ons land komt zij bijna overal in bosschen, tusschen kreupelhout en onder heggen, ook langs beschaduwde slootkanten voor, enkele malen is zij ook in weiden en op braakland aangetroffen, doch dan is de bodem meestal veenachtig of humusrijk. Uit alle provinciën is zij bekend, doch groeit bijna alleen op zandgrond en löss (Z.-Limburg).

Een paar malen is de variëteit met geheel purperkleurige of blauwachtige bloemen gevonden , ook is zij met gevulde bloemen aangetroffen.

A ranunculoides') L. Gele anemoon (fig. 223).

In bouw van den wortelstok, de bladen, den bloemstengel en in de bloemen,

komt deze plant met de vorige overeen. Alleen zijn de omwindselbladen vele malen langer dan hun steel en zijn bladen , bloemstengel en omwindsel kaal of iets behaard. De blaadjes zijn langwerpig, ingesneden en gezaagd, soms is het middelste 3-spletig, zij zijn aan den voet alle minder wigvormig dan bij de vorige soort. De bloemen zijn soms alleenstaand , doch soms staan er ook 2-3 bijeen. De kelkbladen zijn meest 5 in getal (5-8), zijn eirond en aan de buitenzijde behaard. De vruchten zijn zachtbehaard (fig. 223). 15-22 cM. Maart—Mei.

Biologische bijzonderheid. De bestuiving is geheel als bij A. neinorosa.

Voorkomen in Europa en in Nederland. Deze plant komt in het grootste deel van Europa voor, doch is meer algemeen in het Oosten dan in het Westen. Men vindt haar op beschaduwde plaatsen , dus vooral in kreupelhout en in bosschen. In ons land is zij vrij zeldzaam , doch plaatselijk nogal algemeen. Vooral is zij bekend uit de omstreken van Haarlem, Leiden, den Haag en Middelburg, doch ook in andere provinciën wordt zij zeldzaam gevonden.

') ranunculoides = ranonkelachtig. Dit slaat op de gele kleur der bloem. Overigens vertoont de plant niet veel overeenkomst met de ranonkel of boterbloem.

Aaemone ranunculoides

Fig. 223.

Sluiten