Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bladstelen en bladschijven zijn behaard. De onderste bladen zijn handdeelig

° Mippen, aie in omtrek bijna ruitvormig en diep ingesneden zijn. De slipjes zijn lancetvormig en getand. De bovenste bladen zijn 3-deelig met lijnlancetvormige slippen. De wortelbladen krijgen later op het midden der bladschijf vaak een zwarte vlek.

De bloemen staan op aangedrukt behaarde bloemstelen, hebben een geelachtigen, behaarden, wat aanliggenden (niet teruggeslagen) kelk en gele, glanzende kroonbladen. De vruchtjes zijn glad, gerand, lensvormig samengedrukt (fig. 240). De vrucht-

bodem is kïM I VpraifHnr on cr»horl£*i;«Lr wnn»

_ v ' x-" ^Iiautii i\ VUUI IICI

Raounculus acer .• . . , „ ° ... J

Fig. 240. vcc 1,1 ue weme* ÜM• ^ Mei-Herfst.

Biologische bijzonderheden. De inrichting der bloem komt vrijwel overeen met die van R. Flammula, doch zijn de bloemen proterogynisch. Zweefvliegen en kleine bijen (Halictussoorten), die stuifmeel verzamelen en met hunne tamelijk korte slurven den wel verborgen, doch niet moeilijk te vinden honig kunnen krijgen, komen vooral als bezoekers.

Volksnamen. De namen boterbloem en scherpe boterbloem zijn het meest algemeen, doch ook wordt in het Oostelijk deel van Overijsel en Gelderland de plant haneklauw genoemd, in Zuid-Holland en in Waterland hanepoot, in Zuid-Limburg kraaienvoet en kraaiepoot en op vele plaatsen pinksterbloem.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in weilanden, aan dijken en wegen enz. in geheel Europa voor. Ook bij ons is zij op dergelijke plaatsen zeer algemeen.

R. polyanthemos ') L. Veelbloemige boterbloem (fig. 241)

Deze plant gelijkt veel op R. acer, doch onderscheidt er zich dadelijk van door de borste¬

lige Denaring van den stengel, de bladstelen en de bovenvlakten der bladen. De stengel is vertakt. De onderste bladen zijn herhaald diep gedeeld met ingesneden slippen (de bladen gelijken in insnijdingen wel op die van Aconitum en Delphinium).

De stengel is rijkbloemig, de bloemen staan veelal op gelijke hoogte en zijn goudgeel. Kroonbladen zijn er vaak meer dan 5, waardoor de bloemen wat gevuld lijken. De vruchtjes zijn lensvormig samengedrukt, gerand (fig. 241), de vruchtbodem is met geelwitte borstelharen bezet. 3-9 dM. ~4. Mei, Juni.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant behoort in de bosschen der bergstreken en in boschweiden te huis. Zij komt verspreid, doch nergens algemeen voor, het meest in Midden-Europa. In ons land is zij slechts eenige malen gevonden nl. te Leiden (stadswal), 's Gravezande, Leeuwarden, Winschoten (Stadspolder) en Gulpen. De vondst te Gulpen sluit het best aan bij de vindplaatsen buiten Nederland.

R. nemorósus2) D. C. (R. silvaticus') Thuill.) Boschboterbloem (fig. 242) De geheele plant is verspreid borstelig behaard. De stengel is rond, de wortelbladen zijn langgesteeld, de steel is aan den voet scheedevormig verwijd,

') nemorosus = bosch. ') silvaticus = bosch.

Ranunculus polyanthemos.

Fig. 241. I. vruchthoopje, 2. vruchtje.

') polyanthemos =- veelbloemig.

Sluiten