Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl de schijf in het algemeen hartvormig en 5-deelig is. Van de 5 slippen zijn de 3 bovenste grooter, vinspletig en getand. De bovenste stengelbladen zijn bijna zittend.

doordat de korte steel bijna scheedeachtig de takken omvat, de bladschijf is diep ingesneden met bijna lijn-lancetvormige slippen.

De kelkbladen zijn groen, eirond, toegespitst, de kroonbladen goudgeel, omgekeerd eirond, aan den top iets naar binnen gebogen, bijna schijnbaar hartvormig, doch met een kort, omgeslagen spitsje. De vruchtbodem is behaard. De vruchtjes zijn lensvormig samengedrukt, gerand, met een spitsen, opgerolden snavel (fig. 242). 3-9 dM. 3-. Mei, juni.

Voorkomen in Europa en in Nederland. In bergbosschen komt de plant vooral voor, in Midden- en Zuid-Europa veel meer dan in het Noordelijk deel, doch nergens algemeen. Hare vindplaats in Nederland, nl. in het Watersleybosch bij Sittard (1861), is dus nog al een natuurlijke.

R. répens ') L. Kruipboterbloem (fig. 243).

Uit den krachtigen wortelstok komen gewoonlijk 2 of meer stengels en verscheiden langgesteelde wortelbladen. De stengels liggen soms neer en wortelen, terwijl uit de knoopen takken met bloemen komen (de variëteit

7. prostratus -) L). t.) ot zij zijn opstijgend en wortelen niet of weinig (de gewone vorm) of zij staan rechtop (de variëteit ,3. eréctus :l) D. C.) Ook gebeurt het wel, dat zich aan dezelfde plant verschillende stengelvormen vertoonen. Wat beharing betreft, is er ook vrij wat verschil op te merken, soms ontbreekt deze geheel of ook zijn de stengels aanliggend of afstaand behaard. Zij komen steeds daarin overeen, dat zij beneden rond , doch naar boven gegroefd zijn.

De bladen hebben stelen , die naar den stengel in scheeden uitloopen. Die stelen zijn bij de onderste bladen lang, bij de hoogere korter, de bovenste zijn vaak zittend. De bovenvlakte is donkerder groen

dan de onderzijde, soms wat glanzend, ook wit of donker gevlekt, nu eens kaal, dan weer behaard. De onderste bladen zijn 3-tallig met gesteelde blaadjes, de blaadjes zijn 3-deelig met omgekeerd eironde , ingesneden slippen. Die der bovenste bladen zijn langwerpig, ongedeeld.

De bloemen hebben langere of kortere stelen, staan eigenlijk eindelings, doch vaak schijnbaar tegenover de bladen. De kelkbladen zijn in het midden groen, aan de kanten geelachtig, soms geheel geel, min of meer behaard. De kroonbladen zijn glanzend geel. Het hoofdje van stampers is klein, de vruchtbodem is behaard. De kroonbladen zijn glanzend geel. Het hoofdje van stampers is klein, de vruchtbodem is behaard, terwijl de vruchtjes lensvormig samengedrukt, gerand zijn met fijne puntjes (fig. 243). Deze plant is schadelijk in de weiden. 30-45 cM. Mei—Juli.

Biologische bijzonderheden. De inrichting der bloem is als bij R. acer.

Volksnamen. Voor deze plant zijn dezelfde volksnamen in gebruik als voor R. acer en verder te Steenwijk wilde selderij.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt overal in geheel

') repens = kruipend. ■) prostratus = neerliggend. ) erectus = overeindstaand.

HanunciHus nemorosns

Fig. 242.

Ranunculus repenr

Fig. 243.

Sluiten