is toegevoegd aan uw favorieten.

De flora van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hangen zich van onderen aan de bloemen en dringen met den kop in de spoor, terwijl de middelste en achterste paren pooten de meeldraden en stampers omklemmen. Daarbij raken zij met de onderzijde van het achterlijf in jongere bloemen (de bloemen zijn protrandrisch) de met stuifmeel bedekte helmknopjes, die de stempels dicht omsluiten, aan (fig. 259 A), doch in oudere de daar uitstekende en zich uitspreidende stempels (fig. 259 B), zoodat kruisbestuiving zoo goed als verzekerd is. Blijft insectenbezoek uit, dan treedt er allicht zelfbestuiving op, daar de stijlen tusschen de meeldraden doorgroeien en zoo allicht

stuifmeel krijgen of ook, doordat zij ten slotte langer zijn dan de helmknopjes, door neervallend stuifmeel bestoven worden. Ook de aardhommel (Bombus terrester) met een slurf van 7 a 9 mM. bezoekt de bloemen wel, doch bijt een gat in de spoor bij de plaats van ombuiging en rooft door de gemaakte opening honig. De honigbij maakt wel gebruik van de gaten door den aardhommel gebeten , om honig te rooven.

Ook komen de honigbij en andere

kleine bijen wel naar de bloemen , om stuifmeel te verzamelen.

Volksnamen. Behalve de volksnaam akelei, wordt veel de naam klokje of klokbloem gebruikt.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant behoort thuis in de bergbosschen van Midden-Europa, dus is bij ons niet inheemsch. Zij is toch nog al eens bij ons in het wild gevonden , doch waarschijnlijk zal zij wel steeds uit tuinen verwilderd zijn. De akelei toch is een vaak gekweekte sierplant (soms gevuld , ook zonder sporen).

14. Delphuiiuni ') li. Ridderspoor.

Dit geslacht onderscheidt zich van de andere Helleboreae door de gespoorde symmetrische bloemen. De bloemen hebben een 5-bladigen kelk, die afvallend is. De sporen der 2 bovenste kroonbladen zijn tot één vergroeid en zijn in de spoor van het bovenste kelkblad opgesloten. Meestal is er slechts 1 vrucht, zelden zijn er 2 of 3, die dan vrij zijn. De zaden liggen er in 2 rijen in. De bloemen staan in trossen.

Tabel tot het determineeren der soorten van Delphinium.

A. Vruchtjes kaal. Tros armbloemig. Bloemstelen draadvormig. Bladen 3-tallig. Schutbladen ongedeeld, veel korter dan de bloemstelen. Vrucht plotseling in den langen stijl toegespitst U. t'onsolida blz. 218.

B. Vruchtjes behaard. Tros veelbloemig. Bloemstelen kort en dik.

a. Onderste bladen 3-voudig gevind. Schutbladen bladachtig, even lang als of langer dan de afstaande bloemstelen. Vruchtjes geleidelijk in den tamelijk korten stijl toegespitst D. Ajacis blz. 220.

b. Schutbladen langer dan de rechtopstaande bloemstelen. Vruchtjes aan den voet klierachtig, plotseling in den korten stijl toegespitst. Overigens als de vorige.

D. oriëntale blz. 220.

') Delphinium komt af van het Grieksche delphis : dolfijn, naar de gelijkenis der bloemknoppen op den kop van dit dier.

Bloem van Aquilegia vulgaris.

Fig. 259.

A. Bloeni in het begin van den bloeitijd. h honigkliertjes, hk gesloten meeldraden, hkx opengesprongen meeldraden, s stempels.

B. Bloem op een later oogenblik. hk opengesprongen meeldraden, A en s als in fig. A.