Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tabel tot het determineeren der soorten van Aconitum.

A. Spoor cirkelvormig opgerold. Bovenste kroonbladen op den rechten nagel vertikaal staand. Bloemen geel. Bladslippen handvormig 5-spletig met breede, wigvormige, gespleten of gelobde slipjes. Bloemtros beneden iets vertakt. A. Lycoctonum blz. 221.

B. Spoor gekromd maar niet cirkelvormig opgerold. Bovenste kroonbladen op den gekromden nagel horizontaal knikkend. Bloemen blauw of violet. Bladslippen 3- of vindeelig met lancet- tot lijnvormige, gaafrandige of ingesneden slipjes. Bloemtros meest enkelvoudig A. Nupellus L. blz. 222.

A. Lycoctonum ') L. Gele monnikskap (fig. 263).

De wortelstok is kort, schuin opstijgend, met eenige bijna op langgerekte knollen gelijkende worteltakken, die aan hun top in eenige krachtige wortelvezels uitloopen. Uitdien wortelstok, die aan zijn boveneinde de overblijfselen van bladen van het vorige jaar draagt en zijdelings een knop voor het volgende jaar, verheft

zich de stengel en hieruit komen ook een paar langgesteelde bladen met naar onderen scheedeachtig verwijde scheeden. De stengel, die beneden evenals de bladstelen met rechtafstaande geelachtige haren, naar boven met veel kleinere, gekromde en tegen den stengel aanliggende haren dichter bezet is, draagt eenige korter gesteelde bladen en een eindelingschen bloemtros.

De bladen zijn in omtrek bijna cirkelrond, met een bij de onderste bladen meer spitse, bij de hoogere meer stompe insnijding aan den voet. De bovenvlakte is dof en kort behaard of bijna kaal, de ondervlakte glanzend, iets langer behaard, de rand steeds gewimperd.

Iedere bloemsteel staat in den oksel van een schutblaadje, dat bij de onderste bloemen nog ingesneden is, doch bij de hoogere eerst lang spatelvormig en eindelijk lancetvormig wordt. Ook draagt ieder bloemsteeltje nog 2 a 3 kleine, lijn-lancetvormige schutblaadjes. De kelk

Aconitum lycoctonum

Fig. 263.

zijn aan aen lop opgerold ^ng. sw). ue o vimmen ^ij" eirond-langwerpig, door den blijvenden stijl scheef stekelpuntig, meest kaal. De zaden zijn dwars gerimpeld. 50-125 cM. 3-. Juni—Augustus.

Biologische bijzonderheden. De inrichting der bloem met het oog op de bestuiving is vrijwel als die van A. Napellus, welke straks uitvoerig wordt beschreven. De honig is hier echter zoo diep geborgen, dat alleen hommels met zeer lange slurven er bij kunnen. De helm is hier nl. een bijna recht naar boven stijgende cylinder en bovenin ligt het spiraalvormig opgevouwen honigkliertje op een steel van circa 20 mM. De honigzoekende insecten hebben in dien helm geen steun, doch slechts aan de meeldraden en stampers en dus moet hun slurf ook werkelijk 20 mM lang zijn. Vooral is het weer de Bombus hortorum, die als bezoeker optreedt. Het een gat bijten in den helm is ook hier weder waargenomen met de bedoeling honig te rooven.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant behoort thuis in vochtige bergbosschen en weiden in het Alpengebied en de lagere Duitsche gebergten, doch komt in de laatste reeds verspreid voor. In ons land behoort zij dus niet thuis, behalve in Zuid-Limburg, dat in het algemeen in den plantengroei meer bij Midden-Europa aansluit en werkelijk is zij

dan ook daar alleen gevonden (Gulpen, Meersen, Epen, Valkenburg, Houthem)

Fig. 264.

Bloem van Aconitum Lycoctonum in het later deel van den bloeitijd.

i) Lycoctonum komt van lykos: wolf en kteino; dooden, dus beteekent wolfsdood, omdat de wortel dezer plant wolven (en ook andere dieren) kan dooden.

der bloemen is van buiten met kleine, geKromue, geie

haartjes bezet, de beide bovenste kelkbladen zijn van binnen lang behaard. De beide bovenste kroonbladen reiken tot in den top van het kapvormige kelkblad. De honigbakjes

Sluiten