Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Ntiphar ') Sm.

N. lüteum 2) Sm. Gele plomp (fig. 269).

De dikke, bijna rolronde, niet sterk vertakte wortelstok, waarop van boven de inplantingsplaatsen der blad- en bloemstelen van vorige jaren als litteekens te zien zijn, terwijl ervan onderen bruine vezelwortels uit komen, ligt horizontaal in den bodem der wateren. Daaruit komen aan het einde langgesteelde bladen, wier schijf op de wateroppervlakte drijft. De stelen zijn aan den voet aan weerszijden vliezig verbreed, hebben geen steun-

blaadjes, zijn naar boven driekantig en evenals de bloemstelen met tal van kleine luchtkanalen voorzien. De bladschijf is eirond-hartvormig met afgeronden top, gaafrandig of fijn gekarteld, lederachtig, van boven glanzend, fraai groen, beneden dof in het blauwgroene overgaand, met uitstekende middennerf.

De bloemen zijn vrij groot, rusten, tot de vruchten rijp zijn, op den waterspiegel, zijn geel en rieken onaangenaam, zij staan alleen op lange, dikke, ronde stelen. De kelk is 5-bladig, van binnen geel, van buiten meer groenachtig, de bladen zijn eirond-langwerpig, aan den top afgeknot of iets

uitgerand. De kroonbladen zijn talrijk, klein, 4 maal zoo kort als de kelkbladen, omgekeerd eirond, met afgeronden top, geleidelijk in den nagel overgaand, aan de rugzijde met een honiggroefje. Zij zitten schijnbaar in 1 rij, werkelijk in 2 rijen. De meeldraden zijn talrijk met langwerpiglijnvormige helmknopjes; de buitenste meeldraden zijn breeder, bloembladachtig. De stempels op het vruchtbeginsel zijn vereenigd tot een trechtervormig verdiepte schijf (fig. 269), die gaafrandig of zwak gegolfd en 10-20stralig is, met stralen, die den rand der schijf niet bereiken. De vrucht is fleschvormig, veelhokkig, met vele eironde, iets samengedrukte, geelgrijze zaden in ieder hokje, zonder litteekens der kroonbladen en meeldraden. 2)-. Mei—Augustus.

Biologische bijzonderheden. Bij deze plant zijn niet de zaden, doch is de vruchtwand bijzonder van samenstelling. Als de vrucht rijp is, laat zij van den steel los en drijft, doordat de vruchtbladen in 2 lagen zijn gescheiden, een buitenste, groene, saprijke en een binnenste, witte laag, die rijk is aan lucht en de zaden omsluit. Ten slotte laat de buitenste laag los, maar nu splitsen zich de tusschenschotten der vrucht in tweeën, zoodat er halvemaanvormige schijven ontstaan met een vasten buitenwand, waar binnen de zaden liggen, door slijm omhuld. Ook deze drijven door de luchtblazen in het slijm aanwezig. Geleidelijk verrot nu die buitenwand, de luchtblazen ontwijken en de zaden zinken.

Voor de verspreiding der zaden door vogels geldt hetzelfde, als bij Nymphaea is gezegd.

Ook bij deze plant sluiten de bloemen zich bij regen en des nachts.

De gele binnenzijde der kelkbladen en de gele kroonbladen doen ook

>) Is waarschijnlijk door samentrekking uit nympharion, het verkleinwoord van nymphè , ontstaan. De bloemen en bladen zijn dan ook kleiner dan bij Nymphaea alba.

') luteum = geel, naar de kleur der bloem.

15*

nupnar lun

Fig. 2G9.

Sluiten