Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soorten meest aanwezig is). De bladen zijn onbehaard, dubbel drietallig rnet diep 2- of 3-spletige blaadjes en ingesneden slippen.

De bloemen zitten in een eindelingschen, rechtopstaanden en zich na den bloeitijd verlengenden tros, zij zijn vuilpurper of wit, zwak riekend. De schutbladen zijn gaaf, eirond-langwerpig, stomp, aan den top vaak roodachtig. De spoor van het bovenste kroonblad is lang, aan den top naar beneden gekromd, stomp. De bloemstelen zijn '/„ maal zoolang als de vrucht. 1,5-3 dM. 2J-. April, Mei.

Biologische bijzonderheden. De spoor der bloem steekt circa 12 mM over den bloemsteel uit. In het laatste gebogen deel zit over een afstand van 4 a 5 mM de honig, zoodat van de tijdens den bloeitijd vliegende bijen alleen Antophora pilipes, die een

snuit van 19 a 21 mM heeft, deze kan bereiken. Deze is dan ook als bezoeker menigvuldig waargenomen. De aardhommel (Bombus terrestris) met een snuitlengte van 7 a 9 mM is roover, want hij bijt van boven dicht bij de ombuiging een gat en door zulke gaten komen ook bijen met korte snuiten b.v. de honigbij (snuitlengte 6 mM) honig rooven. Ook beproeft de honigbij wel om rechtstreeks bij den honig te komen, doch zonder resultaat. Zij is dan toch wel voor de kruisbestuiving werkzaam. Ook zijn tweevleugelige insecten nl. Bombylius major (met 10 mM slurflengte) en B. discolor (11-12 mM) vrij zwevende, zooals zij altijd doen, waargenomen om honig te zuigen, doch hun slurf is veel te dun, om daarbij bestuiving te bewerken.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in bosschen en in kreupelhout in Zuid- en Midden-Europa tot in Zweden voor, niet overal, doch meestal veel bijeen. Bij ons is zij zeer zeldzaam en, zooals de vindplaatsen aanwijzen, waarschijnlijk overal een overblijfsel van kweeking in vroegeren tijd. De witte var. is ook een paar malen gevonden.

C. sólida ') Sm. (C. digitata -) Pers.). Helm bloem (fig. 279).

Uit den knolvormigen, niet hollen wortel, die kleiner is dan bij C. cava

en niet, zooals daar wel het geval is, wortelvezels uit de zijkanten doet ontspringen, doch alleen onderuit, komen 1 of meer niet vertakte, onbehaarde, teere, rechtopstaande, fijn gestreepte stengels, die vrij laag een schubvormig blad en hooger 2-4 gewone bladen dragen. Deze zijn als bij C. cava, doch de bladslippen loopen meestal spits toe.

Bijzonder herkenbaar is deze plant aan de dunne bloemstelen, die ten slotte even lang als de vruchten worden, aan de handvormig ingesneden, wigvormige schutbladen, die slechts zelden alleen getand of gaafrandig zijn en aan de lange, vrij rechte, iets opstijgende spoor. Overigens is de tros vrij

rijkbloemig, de bloemen zijn iets kleiner dan bij C. cava en weder purper) solida = vast, naar den vasten knol. ') digitata = vingervormig, naar de schutbladen.

Corydahs solida

Fig. 279.

Gorydalis cavM

Fig. 278.

Sluiten