is toegevoegd aan uw favorieten.

De flora van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vruchten zijn lijnvormig-langwerpig, langer dan de vruchtstelen. De zaden zijn bijna dof, korrelig ruw en hebben een aangedrukt, bijna gaafrandig aanhangsel. 15-30cM. 4. Juni—October.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant behoort te huis in Oostenrijk en Italië, waar zij op rotsen groeit. Zij is op een muur te Valkenburg (L.) gevonden en is daar zeker een verwilderde sierplant, daar zij in een naburigen tuin groeit. Misschien komt zij ook op een muur langs de Geul bij het kasteel Schaloen voor.

C. glauca Pursh. behoort thuis in Canada, waar zij op rotsen groeit. Zij is in 1868 in den pastorietuin te Oldeboorn gevonden en is zeker met tuinzaden aangevoerd. Zij is blauwgroen . onbehaard en heeft een rechtopstaanden of opstijgenden stengel. De onderste bladen zijn kort gesteeld, de bovenste bijna zittend, alle zijn gevind, de eerste insnijdingen zijn ver afstaand, de bovenste blaadjes zijn eirond of wigvormig, getand of gaaf. stomp, vaak met een stekelpuntje.

De bloemen staan in groot aantal tot pluimen vereenigd en zijn bruin met een gelen top. De spoor is afgerond. De vruchtjes zijn smal lijnvormig, rechtopstaand, bij rijpheid knoopig. De zaden zijn glimmend, iets netvormig geaderd. 2-4 dM. 4. April—September.

2. Fumaria') Trn. Duiven kervel.

Kelkbladen gekleurd of zeer klein, korter dan de bloemkroon. Bovenste kroonblad verlengd in een spoor- of zakvormig aanhangsel. Bloemen purper, rose of wit, steeds aan den top donkerder, in veelbloemige trossen, die vaak tegenover de bladen staan. Vrucht kort, bolrond of ovaal, 1-zadig. De wand bestaat uit een zeer harde binnenlaag en een weekere, lang sappig blijvende, buitenste laag, de vrucht nadert dus tot de steenvruchten.

Bladen 2-3-voudig gevind met ovale, lancet- of lijnvormige blaadjes.

Eenjarige planten met kantige, meest vrij zwakke, soms klimmende stengels.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Fumaria. A. Bovenste en onderste bloemkroonblad van voren met een knobbel, wiens breede,

afstaande randen den top bereiken. Rijpe vruchten knobbelig rimpelig. Tros dicht-

bloemig. Bloemen kleiner dan 1 cM.

a. Kelkbladen eirond-lancetvormig, getand, 3maal korter dan de bloemkroon, smaller dan de buis van deze. Vrucht ingedrukt bolrond, overdwars breeder, van boven afgeknot F. officinalis blz. 241.

b. Kelkbladen groot, half zoo lang als de bloemkroon en minstens even breed als de buis van deze. Vrucht bolrond, aan den top met 2 ronde groefjes. F. densittorablz. 242.

c. Kelkbladen eirond, getand, zeer klein, 6-10maal zoo kort als de bloemkroon, smaller

dan de buis van deze. Bloemen kleiner dan bij F. officinalis. Bladslippen gootvormig uitgespreid. Vruchtomtrek van boven een hoek vormend.

F. parvifloru blz. 242. B. Bovenste en onderste kroonblad van voren met een knobbel, wiens randen den top niet bereiken. Rijpe vruchten meest glad. Tros losbloemig. Bloemen vrij groot (circa 1 cM lang).

a. Vruchtstelen teruggebogen. Kelkbladen half zoo lang als de bloemkroon. Vrucht afgeknot-stomp.

F. capreolata blz. 243.

b. Vruchtstelen opgericht of uitgespreid. Kelkbladen '/.i a 'li maal zoo lang als de bloemkroon. Vrucht spits F. inuralis blz. 243.

F. officinalis ) L. Duivenkervel (fig. 283». Uit den penwortel komt een rechtopstaande, vertakte, onbehaarde stengel, die even als alle

andere deelen der plant eenigszins blauwachtig berijpt is. Soms ook is de

l) van het latijnsche fumus, rook. De naam slaat daarop, dat men vroeger meende, dat de plant zich ook uit damp of walm, die uit de aarde opsteeg, kon ontwikkelen. Daarop slaat ook de Nederl. naam aardrook.

5) officinalis = geneeskrachtig. Een extract, uit de versche plant bereid, wordt in de apotheken verkocht als maagversterkend en zuiverend middel.

Heuksls, Flora. 16

r umana ofxicinaus

Fig. J83.