Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. Angustiseptae.

Hauwtjes loodrecht op het tusschenschot samengedrukt, dit naar boven en beneden versmald, lancet- of lijnvormig.

A. Groep Thlaspideae (Angustiseptae pleurorrhizae O C ).

Gesl. Thlaspi. Teesdalia, Iberis, Biscutella.

B. Groep Lepidineae (Angustiseptae notorrhizae O () ).

Gesl. Lepidium, Capsella.

C. Groep Brachycarpae (Angustiseptae diplecolobae) (fig. b). Worteltje * -'~n

rug van een Hoefijzervormige, aan het vrije been ingeknikte zaadlob liggend, de toppen van beide onderling evenwijdig.

Gesl. Coronopus.

III. Onderorde Nucamentaceae.

Hauwtjes niet openspringend, door het verdwijnen van het tusschenschot vaak 1-hokkig.

A. Groep Isatideae (Nucamentaceae notorrhizae O () ).

Gesl. Isatis, Myagrum, Neslea, Soria.

B. Groep Zilleae (Nucamentaceae orthoplocae O ).

Gesl. Calepina.

C. Groep Buniadeae (Nucamentaceae spirolobae) (fig. c). Zaadlobben lijnvormig

spiraal- ot cirkelvormig opgerold.

Gesl. Bunias.

IV. Onderorde Lomentaceae.

Hauwen geleed, in dwarsstukken uiteenvallend.

A. Groep Cakilineae (Lomentaceae pleurorrhizae O C).

Gesl. Cakile, Chorispora.

B. Groep Raphaneae (Lomentaceae orthoplocae O » )•

Gesl. Rapistrum, Raphanistrum, Raphanus.

Bijzonderheden in verband staande met de bestuiving.

Bij alle Cruciferae is de vereeniging der gewoonlijk niet zeer groote bloemen tot een tros van beteekenis, 0111 het geheel meer te doen opvallen aan de insecten. De kelk dient meestal 0111 de nagels der kroonbladen zoo bijeen te houden, dat zij een, al is het vaak vrij korte, buis vormen, waarin zich beneden de honig ophoopt. Deze wordt bij alle soorten door honigkliertjes afgescheiden. Steeds bevinden er zich daarvan 2 aan den voet der korte meeldraden, vaak ook zijn er tusschen de voeten der lange meeldraden, doch deze scheiden veelal minder honig af dan de andere.

Alle Cruciferae zijn zwak proterogynisch. Als de bloemen zich openen, is in het midden der bloem dadelijk de dan reeds rijp zijnde stempel zichtbaar, terwijl de daar omheen staande helmknopjes nog gesloten zijn. Dit duurt echter ook niet lang meer, want bij Sisymbrium Sophia, Lepidium Draba e. a. zijn zij ook reeds 2 a 5 uur later opengesprongen.

Het ineerendeel der Cruciferae met kleine bloemen is op zelfbestuiving aangewezen, aangezien insectenbezoek daar zeer gering is. Daar staan bij het opengaan der bloem de helmknoppen der langere meeldraden even hoog als de stempels, doch zij staan er een eindje van af, zoodat als die helmknoppen zich openen, zelfbestuiving nog uitblijft. Eerst tegen het laatst van den bloeitijd buigen de helmdraden zich zoo, dat de knopjes den stempel aanraken en nu heeft er zelfbestuiving plaats. Het stuifmeel der kortere meeldraden kan maar zelden op den stempel derzelfde bloem komen. Het is er om door insecten te worden weggehaald en voor kruisbestuiving te dienen. Zoo er dan ook insecten in de bloemen komen, om honig te halen, is de kans voor kruisbestuiving groot, want om den honig te bereiken aan den voet der meeldraden, moet de slurf den stempel en de stuifmeelhokjes der korte meeldraden passeeren en de straks besproken zelfbestuiving treedt eerst in het laatst van den bloeitijd op, zoodat de stempel in het eerst steeds voor kruisbestuiving beschikbaar is.

Sluiten