Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stempel, die der kortere lager. Bij zonnig weer staan de meeldraden iets uit elkaar en de helmknopjes zijn naar de stamperzijde toe opengesprongen, zoodat honigzoekende insecten met verschillende zijden van hun kop stempel en stuifmeel aanraken, dus kruis- en zelfbestuiving bewerken kunnen. Bij regenachtig weer openen zich de bloemen maar ten deele, zoodat de helmknoppen der lange meeldraden den op dezelfde hoogte staanden stempel spontaan kunnen bestuiven.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa aan en in beken, slooten en op moerassige plaatsen voor. De vorm indivisum is bij ons vrij algemeen, de vorm variifolium zeldzaam, de vorm auriculatum vrij zeldzaam.

N. silvéstre') R. Br. (Róripa silvestris Rchb.) Akkerkers. (Fig. 290).

Uit den korten wortelstok, die schuin in den bodem zit, komen verscheiden rechtopstaande, opstijgende, aan den voet liggende stengels. Deze

dragen beneden een wortelroset van eenige bladen, de stengels zelf zijn meest sterk vertakt, hoekig gestreept en fijn behaard of slechts met knobbeltjes voorzien. De bladen zijn alle vinspletig tot gevind, gesteeld, levendig groen, onbehaard. De wortel- en de onderste stengelbladen hebben in den regel 3—4 paar tamelijk wel even groote, langwerpige, grof getande blaadjes, het topblaadje is iets grooter dan of even groot als de andere en ook gelijk van vorm. Hooger aan den stengel zijn de bladen vindeelig

KHsiuruum suvestre tot vinspletig met smallere, soms lijnvormige

Fig. 290. slippen.

De bloemen staan in eindelingsche trossen op uitstaande bloemstelen, zij zijn geel. De kelkbladen zijn geel, de kroonbladen meest tweemaal zoolang als de kelk.

De hauwen zijn geheel of bijna rechtopstaand op dunne, schuin afstaande stelen, vaak wat gebogen, onbehaard, omstreeks even lang als of langer dan de stelen (fig. 29(1). De zaden zijn bruin, afgerond. 22 45 cM. Juni—Augustus.

De gewone vorm is * dentato-incisum2). Bladen vinspletig tot gevind , met getande slippen of blaadjes. Verder komt voor jS. rivulare ') met minder diep ingesneden bladen, terwijl de rijpe vruchten grooter en langer zijn dan de stelen.

Biologische bijzonderheden. Honigkliertjes zitten aan den voet der korte en tusschen de voeten der lange meeldraden. De inrichting der bloem met het oog op de bestuiving is als bij N. amphibium.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op bouwland, in vochtige weiden, aan randen van wegen en dijken, op ruige plaatsen, aan slootkanten door geheel Europa voor. Ook bij ons is vooral de hoofdvorm algemeen , de ,S. rivulare vrij zeldzaam.

') silvestre = bosch.

') dentato-incisnni = tandig ingesneden. 3) rivulare = beek.

Sluiten