Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N. palustre ') D. C. (Róripa palustris Rchb.). Moeraskers. (Fig. 291). Deze plant gelijkt veel op de vorige. De wortel is spilvormig, daaruit komt een rechtopstaande, opstijgende of liggende, vertakte, gegroefde, onbehaarde stengel. De onderste bladen zijn liervorinig-vindeelig, langgesteeld, de hoogere vinspletig, met langwerpige, stomp getande slippen, zij zijn bijna zittend en alle zijn onbehaard.

De bloemen staan in eindelingsche trossen, zijn klein en lichtgeel. De kelkbladen zijn geelachtig, de kroonbladen omstreeks even groot als de

l,nll.UI».l rA . I- I - _i.l_ ö

KciKuiauen. ue Dioemsieien zijn uitstaand.

De hauwen zijn langwerpig, gezwollen, de vruchtsteeltjes omtreeks even lang als de vrucht, uitstaand of iets teruggebogen (fig. 291). De zaden zijn geelachtig, glad. ©, ©O, somtijds zelfs 3-, 2—4 dM. Juni—September.

Biologische bijzonderheden. Honigkliertjes zitten alleen aan den voet der korte meeldraden. De bloemen vallen, doordat de kroonbladen zoo klein zijn, niet veel op. Overigens is de inrichting met het oog op de bestuiving als bij N. aniphibium.

Soms vormen zich op de onderste bladen knoppen, die tot nieuwe planten uitgroeien.

Bij deze plant en ook bij N. silvestre, evenzeer

bij Barbarea vulgaris en Sisymbrium Sophia komen soms koekoeks- of ananasgallen voor. Zij worden veroorzaakt door een galmug (Cecidomyia Sisymbrii) en ontstaan vooral aan den voet der bloemstelen midden in de bloemtrossen. Zij vormen daar witte, zwamachtige weefsels, die als omgeslagen hoedranden de bloemstelen omgeven. Doordien de woekeringen der naburige bloemstelen samenvloeien, ontstaan holle ruimten, waarin de galmuglarven verblijven. Van buiten af gezien lijken die gallen witte knobbels in de bloeiwijze, die aan de vruchten van den witten moerbeiboom herinneren.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt door geheel Europa aan en in slooten en op moerassige plaatsen voor en is ook bij ons op zulke plaatsen vrij algemeen.

Tusschenvormen. De Prodromus Florae Batavae vermeldt 2 tusschenvormen, nl. een tusschen N. palustre en N. silvestre, de N. brachystylum Wallr.'') met vruchten meer dan 2 maal zoo kort als de steel en breed lijnvormig (4-5 mM lang en 1 mM breed), deze is op Schiermonnikoog, op Rhoodestein bij Neerlangbroek en bij Muiden waargenomen en een tusschen N. aniphibium en N. silvestre, de N. brachycarpum') met elliptische hauwen, die nauwelijks 2-maal zoo lang zijn als de stijlen en 3 a 4 maal zoo kort als de stelen, die op eenige plaatsen is aangetroffen.

Het genoemde werk onderstelt, dat er in ons land nog wel meer van zulke tusschenvormen te vinden zijn en geeft dan ook op blz. 1 (X) en vlg. een tabel tot het determineeren dezer hybriden, ontleend aan Rouy et Foucaud's Flore de France.

3. Barbaren 4j ]{. Iti*. Barbarakruid.

Kelkbladen opgericht, bijna gelijk aan den voet, geelachtig. Stempel gaaf of iets uitgerand. Hauwen lijnvormig, cylindrisch-vierkant, iedere

') palustre = moeras. •>) brachystylum = kortstijlig. :l) brachycarpum — kortvruchtig. ') Naar de heilige Barbara. die in 300 n. C. in Nikodema in Klein-Azië leefde.

Naslurtium palustre

Fig. 291.

Sluiten