Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,5. latifólia ') Prod. Blaadjes bijna rond of eirond.

■/. umbrosa-) Gr. et Godr. Piant sterk vertakt. Bladen alle breed ovaal, hoekig, getand of zelfs ingesneden.

Biologische bijzonderhedenDe bloemen zijn klein en in verband daarmede gtldt dat, wat omtrent de bestuiving van kleine Cruciferenbloemen is gezegd, ook hier.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt door geheel Europa op open en bebouwden zandgrond en op beschaduwde plaatsen voor. De vorm a. hirsuta meer op vochtige, grazige plaatsen en aan heggen en is in ons land vrij algemeen, vooral in de duinen, de vorm 5. silvatica op beschaduwde plaatsen. Daarvan is de vorm «. genuina vrij zeldzaam gevonden, de vorm p. latifólia alleen bij Leiden en y. umbrosa vrij algemeen.

7. Hesperis3) L. Damastbloem.

Kelkbladen opgericht, de zijdelingsche met een zakvormige uitzetting aan den voet. Stempel uit 2 tegen elkaar liggende stompe, vlakke plaatjes gevormd. Hauwen uitstaand, zeer lang, lijnvormig-cylindrisch, bultig, met dik tusschenschot. Kleppen bol, 1-nervig. Snavel kort, kegelvormig. Zaden langwerpig, hoekig, 1-rijig.

Bloemen purper of wit, vrij groot. Bladen getand of gelobd. Planten ruw behaard.

Tabel tot het determineeren der soorten van liet geslacht Hesperis.

1. Bladen eirond tot lancetvormig, getand, de onderste gesteeld, de bovenste bijna zittend Bloemstelen bijna even lang als de kelkbladen. Kroonbladen omgekeerd eirond Bloemkroon purper of lila, zelden wit matronalis blz 2(54

2. Onderste bladen gesteeld, spatelvormig, gelobd, de bovenste langwerpig-lancetvormig zittend, iets getand. Kroonbladen spatelvormig. Bloemkroon paars.

II. hicuspiitiita blz. 265.

H. matronalis >) L. D a m as t b 1 o e ni (fig. 304>.

Uit den pen wortel komen I of meer rechtopstaande, ronde, alleen naar boven vertakte

stengels. Deze zijn, evenals de bladen, ruw door vertakte haren of glad. De bladen zijn beneden langer gesteeld, naar boven worden zij langzamerhand zittend met wigvormig versmalden voet. zij zijn langwerpig-lancetvormig, lang toegespitst, aan den voet stomp gezaagd (de onderste zijn soms vinspletig).

De bloemen staan in groote eindelingsche trossen en zijn lila of wit, des avonds tegen 7 a 8 uur gaan zij open, zij zijn welriekend (naar viooltjes). De bloemsteeltjes zijn even lang als de kelk of langer. De kelkbladen hebben in het midden een breede groene, met afstaande borstelharen bezette streep en witte randen. De kroonbladen zijn omgekeerd eirond. afgeknot, meest met een spitsje in het midden, de nagel er van steekt boven den kelk uit.

De vruchttros is lang. De hauwen staan rechtop op vrij lange afstaande stelen, zijn zeer lang, rond, kaal, knobbelig (fig. 304). 4,5-9 dM. en Mei, Juni.

Volksnamen. De naam damastbloem is voor deze siernlant

in eenige slreken in gebruik, op Walcheren heet zij blanche misschien, in den Achterhoek flordamen, in Zuid-Limburg matronalen, in Zeeuwsch-Vlaanderen nachtflieren.

') latifólia = breedbladig. s) umbrosa = beschaduwd.

•) komt van het grieksche esperos: avond, omdat de bloemen 'savonds beginnen te rieken. J) matronalis = dame.

VJ> „ \f

Hesperis matronalis

Fig. 304.

Sluiten