Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bladen zijn lancetvormig, spits, bochtig getand, ruw behaard. Hierdoor is de plant aschgroen.

De bloemen staan in trossen en zijn violet, klein. De kelkbladen zijn 3 a 4 maal zoolang als de bloemstelen.

De vruchttros is los en draagt boven de onderste hauw een blad en een tak.

De hauwen zijn hard met dik, sponsachtig tusschenschot. De zaden zijn geel, aan beide einden plat. 1-4 dM. O. April, Mei.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant is inheemsch in de landen aan de Middellandsche Zee, waar zij in wijngaarden en op bouwland voorkomt en is bij ons alleen aangevoerd waargenomen op puin bij de gasfabriek te Arnhem.

9. Sisymbrium') L. Raket.

Kelkbladen opgericht, zelden uitgespreid, aan den voet gelijk. Stempel traaf of nauwelijks

ingesneden. Hauwen lijnvormig, cylindrisch of bijna vierhoekig, met bolle, 1-3-nervige, soms ongenerfde kleppen. Snavel zeer kort of niet aanwezig. Zaden ovaal of langwerpig, niet gevleugeld, in 1 rij.

Bloemen geel, klein of vrij groot. Bladen enkelvoudig of ingesneden.

Biologische opmerkingen. De Sisymbriumsoorten hebben half verborgen honig in de bloemen en in deze zijn meeldraden en stempel zoo goed als te gelijk rijp. De honig wordt aan den voet der korte meeldraden door honigkliertjes afgescheiden. Bij de meeste soorten maken de bloemen in den schermvormigen tros den indruk van stralend te zijn. Dit is niet zoo, maar het komt, doordat de kroonbladen na den bloei niet afvallen, doch zelfs nog voortgroeien en zich als de bladen van een boek op elkaar leggen. Ditzelfde geldt in nog sterkere mate voor sommige Alyssumsoorten.

De zaden zijn bij alle soorten zeer klein en worden gemakkelijk door den wind verspreid.

Bij Sisymbrium officinale vallen de bloemen nog al vrij sterk op door hare kleur en is de inrichting met het oog op de bestuiving omstreeks als voor Sinapis is beschreven. Dit is ook het geval bij S. Sophia, doch daar vallen de geelgroene bloemtrossen weinig op en ook zijn daar de bloemkroonbladen slechts half zoo lang als de kelkbladen. Van de best iiving der andere soorten is weinig bekend.

Over de koekoeksgallen bij S. Sophia, zie Nasturtium palustre.

Tabel tot het deterniineeren der soorten van het geslacht Sisymbrium.

A. Hauwen naar den top versmald, priemvormig, 2-3 cM lang. Stengel kort behaard. Stelen der hauwen even lang als de kelk. Tusschenschot dun. Bovenste bladen spiesvormig officinale blz. 267.

B. Hauwen overal even dik. Zaden langwerpig of eirond.

t. Hauwen even dik als de stelen, langer dan 3 cM. Tusschenschot sponzig, met indeukingen voor de zaden, deze bruin.

a. Onderste stengelbladen vindeelig. meest met aan den benedenrand met een opstaand oortje voorziene slippen, de bovenste gevind met lijnvormige blaadjes. Kelk ver afstaand S. altissimum blz. 267.

b. Bladen alle gesteeld, met getande, aan den benedenrand met een rechtopstaand oortje voorziene slippen. Kelkbladen opgericht. Bovenste bladen lijnvormig, gaaf.

S. orientale blz. 268.

') van het grieksche sisymbrion, waarmee verschillende aromatische planten, zooals Nasturtium officinale, worden aangeduid.

0 T M ^

Malcolmia africana

Fig. 306.

Sluiten