Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bochtig getand, gesteeld, de onderste stengelbladen zijn gesteeld, vindeelig met langwerpige, getande slippen, die aan den benedenrand bijna steeds van een opstaand oortje voorzien zijn, de bovenste bladen zijn gevind met gaafrandige blaadjes.

De bloemen staan in ijle trossen, zijn bleekgeel en vrij groot. De kelkbladen zijn ver afstaand, vroeg afvallend. De kroonbladen zijn 2 maal zoolang als de kelk.

De vruchttros is lang en los, met korte vruchtstelen. De hauwen (fig. 308) staan wijd uit, zijn min of meer naar boven gekromd, zeer lang, bijna even dik als de stelen en hebben 3-nervige kleppen. De zaden zijn klein en glad. 4-6 dM. OO en 21. Mei—Juli.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant behoort thuis op onbebouwde plaatsen en op rotsen in Zuid-Oost-Europa. Zij is bij ons vooral met zaden (granen enz.) aangevoerd en heeft zich van de plaatsen, waar zij opsloeg, vaak verspreid, zoodat zij bijna als bij ons ingeburgerd mag worden beschouwd.

S. orientale') L. (S. Colümnae <) Jacq.). Oostersche raket (fig. 309).

Uit den penwortel komt een rechtopgaande, naar boven vertakte, fijn-

Denaarde stengel. De bladen zijn gesteeld, de wortelbladen staan in een roset, zijn vindeelig met een bijna driehoekige eindslip. De onderste stengelbladen zijn liervormig-vindeelig, de lange stelen zijn grijs behaard (de geheele plant is dit) en de eindslip is spiesvormig, de zijslippen zijn getand met aan den benedenrand een rechtopstaand oortje, de hoogere bladen zijn bijna pijlvormig, de bovenste ongedeeld, lijnvormig, zittend.

De bloemen staan in eindelingsche en bladokselstandige trossen, zijn bleekgeel en vrij klein. De kelkbladen zijn opgericht. De kroonbladen zijn bijna 2 maal zoo lang als de kelk.

De vruchttros is lang en los. De vruchtstelen

zijn zeer kort. De hauwen staan zeer ver van elkaar, zijn zeer lang, zij staan met de steeltjes schuin uit (fig. 309) en zijn grijs behaard met 3-nervige kleppen. De zaden zijn vrij glad. 2-10 dM. ©O. Mei—Juli.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant groeit op onbebouwde plaatsen en aan wegkanten in Zuid-Europa en is bij ons vrij menigvuldig met granen aangevoerd.

S. Loesélii3) L. S p i e s r a k e t (fig. 310).

Uit den penwortel komt een krachtige, ronde, rechtopstaande, vertakte stengel, die evenals de bloemstelen en de onderste bladen stijfborstelig behaard is. De haren zijn onder aan den stengel naar beneden gericht, doch boven recht afstaand. De bladen zijn vindeelig, langgerekt, in omtrek langwerpig of breed lancetvormig. De slippen in het midden van het blad zijn het grootst, naar den voet worden zij kleiner en staan verder uiteen, naar den top vloeien zij meer samen en vormen zoo een spitse, lange,

') orientale Oostersch. 2) naar Fab. Colummae, een Italiaansch botanicusf 1592. ) naar den Duitschen botanicus J. Loesel f 1657.

oisjiiiunum oneniaJe Fig. 309.

Sluiten