Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(fig. 314) zijn dik, veel langer dan de even dikke steel, stomp vierkant en knobbelig, met 3-nervige kleppen De zaden zijn langwerpig, cylindrisch, sterk in de lengte gestreept, bruinachtig en staan in een rij. 1,5-9 dM. OO. April—Juni.

Biologische bijzonderheden. De honigkliertjes zitten aan den voet der korte meeldraden. De honig wordt niet, zooals meestal het geval is, aan de buitenzijde dier meeldraden afgescheiden , doch aan de binnenzijde en hoopt zich dan ook in de bloemkroonbuis op. De kelkbladen doen dus hier geen dienst van honigreservoirs, in verband daarmede staat het spoedig afvallen van deze. De inrichting der bloem met het oog op de bestuiving is als bij Stenophragma.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant groeit in heggen en op beschaduwde plaatsen door geheel Europa en is ook bij ons algemeen.

De plant heeft gewreven een sterken knoflookgeur, die als bij de Alliumsoorten door allylsulfid wordt veroorzaakt, trouwens ook bevat de plant rhodaanallyl als de meeste Cruciferae. De plant werd vroeger gebruikt als bloedzuiverend middel.

12. Hrriya ') Sternb. el Hoppe.

B. supina-) Koch. Hauwkers (fig. 315).

Uit den penwortel komen eeniye wortelbladen en eenige op den bodem liggende, uïtjje-

spreiue, Kort en stijt nenaarde, los bebladerde stengels. De bladen zijn gesteeld, vinspletig tot vindeelig met langwerpige of langwerpig-lijnvormige, gave of bochtige zijslippen en een grootere eindslip.

De bloemen zijn alleenstaand in de oksels der bladen (men zegt ook wel in bebladerde trossen), zij zijn wit of iets geel, klein. De kelkbladen zijn even lang als de bloemstelen.

De vruchttros is bebladerd, los. De hauwen zijn met de korte steeltjes iets

afstaand, lijnvormig, een weinigsamengedrukt, kort behaard, 5 a 6 maal zoolang als de stelen, met kleppen zonder nerven. De zaden zijn klein, ovaal, in 2 rijen ge¬

plaatst. 1,5-5 dM. . Juni—Augustus. Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op vochtige, zandige plaatsen in Noord-Frankrijk, België, Skandinavië en West-Rusland voor. Bij ons is zij alleen aan rivieroevers waargenomen en wel aan den voet van den St. Pietersberg bij Maastricht en te Rijswijk (Qeld.) aan den oever der Lek.

Braya supina.

Fig. 315.

a, ft wortelbladen, c hauw, in doorsnede, ü zaad in doorsnede.

13. Ery'simum3) L. Steenraket.

Kelkbladen opgericht of een weinig uitgespreid, gelijk of de zijdelingsche met een zakvormig aanhangsel aan den voet. Stempel gaaf of uitgerand. Hauwen lijnvormig, vierhoekig, met kleppen, die een forsche rugnerf hebben. Snavel kort, cylindrisch. Zaden eirond of langwerpig, in 1 rij.

i) naar den Franschen botanicus G. de Bray f 1831. ') supina = op den rug liggend.

>) waarschijnlijk van het grieksche éryo: ik red en oïmé: gezang, een zinspeling op het

gebruik van een verwante plant, Sisymbrium officinale als geneesmiddel tegen heeschlieid

Sluiten