Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bladen zijn onbehaard of borstelig verspreid behaard, naar de bloeivvijze toe zijn ze 3-lobbig of eirond, bochtip pptnnr!

De bloemen staan in eindelingsche trossen, die tijdens den vruchttijd langgerekt zijn , zij zijn geelDe bloemstelen zijn afstaand , recht. De kelkblabladen zijn uitstaand , lijnvormig.

De vruchtstelen zijn even lang als de kleppen der hauw. De hauwen zijn sterk uitstaand of teruggeslagen , langwerpig , knobbelig, borstelig behaard (fig. 329). De kleppen zijn van 3 uitstekende nerven voorzien. De snavel is samengedrukt, sabelvormig gebogen. De zaden , waarvan er 2-3 in ieder hokie zitten . ziin hnlrnnH ltppI nf hmin

' ' Sinapis alba

van puntjes voorzien. 3-8 dM. Q. Mei—Juli. Fig 329.

Biologische bijzonderheden. De bloemen vallen door hun vanillegeur en doordat zij dicht bijeen staan , sterk op. Hare inrichting in verband met de bestuiving is als bij S. arvensis.

De zaden hebben een scherpen smaak, die als beschermend middel dient. Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant is in Zuid-Europa inheemsch, doch werd reeds oudtijds 0111 het zaad gekweekt, ook bij onsDit zaad levert de gele mosterd (Engelsche mosterd).

S. disséeta ') Lag. Ingesneden mosterd (fig. 330).

De planl is een weinig ruw behaard. Uit den penwortel komt een rechtopstaande, bijna onbehaarde, vertakte stengel. De bladen zijn alle gesteeld, vindeelig, doch niet liervormig, niet lancetvormige slippen.

De bloemen staan in trossen en zijn geel en vrij groot.

De vruchtstelen zijn boogvormig opstijgend, even lang als de hauwen. De hauwen zijn wat uitstaand, al of niet behaard (fig. 330). De kleppen hebben 3 zwakke nerven. De zaden zijn bolrond, bruin, niet kleine putjes. 3-6 dM. ' O. April—Juni.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in Zuid-Europa op bebouwde plaatsen voor en is bij ons alleen aangevoerd waargenomen bij een oliemolen te Zwolle <1894).

S. pubèscens -') L. Behaarde mosterd (fig. 331).

De plant is vlokkig ruig behaard. De stengel heeft uitgespreide takken. De bladen staan voor het meerendeel in een wortelroset. zijn diep liervormig-vindeelig of gevind, de stengelbladen zijn enkelvoudig, langwerpig, getand.

De bloemen staan in trossen en zijn geel. De kelk is uitgespreid.

De vruchtstelen zijn korter dan de hauwen en staan rechtop. De hauwen zijn kort, niet knobbelig, doch dichtvlokkig behaard en tegen den stengel gedrukt, zij hebben kleppen zonder zichtbare nerven. De snavel is kegelvormig, samengedrukt, een weinig gebogen en heeft minstens '/, van de lengte der kleppen (fig. 331). De zaden zijn fijn gepunt. 3-6 dM. !(■. April— October.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in Zuid-Europa aan de randen van velden en wegen voor en is bij ons alleen met zaad aangevoerd waargenomen bij Apeldoorn.

Sinapis dissecta

Fig. 330.

Fit;. 331.

>) dissecta — onregelmatig ingesneden. ') pubescens = zachtharig.

Sluiten