is toegevoegd aan uw favorieten.

De flora van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. Kelkbladen opgericht. Stengel bijna onbebladerd. alleen aan den voet bladen dragend. ö. Bloemstelen 2 maal zoolang als de kelk. Hauwen 3 maal zoolang als de vruchtstelen. Kroonbladen 2 maal zoolang als de kelk n. mimilis blz. 285.

b. Bloemstelen even lang als de kelk. Hauwen 4 maal zoolang als de vruchtstelen. Kroonbladen hoogstens iets langer dan de kelk d. vimtnea blz. 286.

D. tenuifólia') 0. C. Zand kool (fig. 333).

De plant is onbehaard, blauwachtig berijpt, dus gelijkt wel wat op een koolsoort, ook door de groote, gele bloemen als bij Brassica Napus, die ook in een even lossen tros, als bij deze staan, doch die tros verlengt

•"en mei ui] uen Dioei, ais dij b. Kapa. De stengel is krachtig, armbladig, ligt voor het onderste deel, staat verder rechtop en is van den voet af vertakt. De bladen zijn gesteeld, de onderste vinspletig of vindeelig met lijnvormige, gaafrandige of getande slippen, de bovenste vaak lijnvormig, ongedeeld, bijna gaafrandig.

De bloemen staan in eindelingsche, okselstandige trossen, zijn citroengeel, groot, welriekend, na den bloei bruin. De kelkbladen zijn roodachtig geel, de kroonbladen zijn 3 maal zoo lang als de kelk.

De hauwen staan op lange, schuin afstaande stelen, schuin of rechtopstaand, en zijn boven de

invoeging van den kelk kortgesteeld (fig. 333). 3-8 dM. Juni- Herfst.

De variëteit p. integrifolia2) Koch heeft langwerpige of lancetvormige, grof getande bladen.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op onbebouwde gronden en puinhoopen in Midden- en Zuid-Europa voor. Bij ons komt zij vooral op nieuwe gronden, b.v. veel langs spoorwegen en op eenigszins zilten bodem voor. Zij schijnt bij ons meestal te zijn ingevoerd, doch is geheel ingeburgerd. De var. /3. integrifolia is bij ons vrij zeldzaam.

D. muraüs ) 0. C. Muurzandkool (fig. 334).

De plant is een weinig behaard door rugwaarts gerichte haren, vooral de bladen. Uit den penwortel komt een opstijgende, al of niet vertakte

stengel. De bladen staan alleen in een wortelroset, zijn gesteeld, bochtig getand tot vindeelig, met eironde of langwerpige, getande slippen, de eindslip is omgekeerd eirond, breeder en hoekig getand.

De bloemen staan in een eindelingschen tros, zijn geel, vrij groot en welriekend. De kelkbladen zijn witgerand, de kroonbladen 2 maal zoo groot als de kelk, plotseling in den nagel versmald. De stijl is lijnvormig, niet aan den voet samengetrokken.

De hauwen staan op tamelijk lange, schuin afstaande stelen rechtop of iets afstaand en zijn boven de invoeging van den kelk ongesteeld, bijna parelsnoerachtig (fig. 334). 1,5-4 dM. O of O O.

•) tenuifólia = dunbladig. 2) integrifolia = gaafbladig. :i) muraüs = muur.

Diplotaxis tenuifólia

Fig. 383.

Diplotaxis muraüs

Fig. 334.

Mei—October.