Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor doch nipt in i,„, w . bwgbosschen m Midden- en Zuid-Europa in het wild fterwiii 1 ir , he,,Westen- B,1 ons word. zij veel als sierplant in tuinen gekweekt n T k stengels, waaraan de vliezige tusschenschotten der hauwtjes nog zitten

■n droge bouquetten veel dienst doen) en is eenige malen verwilderd waargenomen.

Volksnamen Behalve judaspenning, een naam. die zeer algemeen gebruikt wordt worden ook blauwe vossen (Groningen), duizendguldenblad (Walcheren) kwartiesnlint blid (T- penningen (West-Friesland), rijksdaalders (Zeeuwsch-Viaanderen) zilv'er-

lad (Groningen, Achterhoek, Noord-Limburg), zilverling (Noord-Veluwe Kennemerland)

schmTr"hTuS's a"d) Keh0°rd' Bijm' a"e "amen hebben ,H',rekki^r °P he< tusschcn^

22. Draba4) L.

D. muralis ■•) L. Hongerbloempje (fig. 344).

Uit den penwortel komt een rechtopstaande of opstijgende, weinig of niet vertakte, dunne.

.«^.cu-uenaaiue (mei sterharen), zwak gegroefde stengel, die een roset van wortelbladen en ceni^e stengelbladen, vrij ver van elkaar staand , draagt. De wortelbladen zijn gesteeld. lepelvormig, stomp, iets gezaagd, evenals de stengelbladen met verspreide sterharen bekleed. De stengelbladen zijn zittend, aan den voet afgeknot of bijna hartvormig, stengelomvattend, aan den top spits of stomp, gezaagd, met naar voren gerichte tanden.

De bloemtros is eindelings, later langgerekt. De bloemen zijn klein, wit. De kelkbladen zijn groen of violet, wit gerand. De kroonbladen zijn omgekeerd-eirond, hebben een afgeronden top en zijn 17, maal zoolang als de kelkbladen.

De vruchttrossen zijn lang en los. De vruchtstelen staan ten slotte horizontaal af en zijn 2 a 3 maal zoolang als de hauwtjes. Deze zijn langwerpig, glad, met 1-nervige kleppen, bijna zonder stijl (fig. 344). Zaden zitten er 6-8 in ieder hokje,

ui -i njcii. um. y. April—Juni.

V'Kortomen in Europa en in Nederland. De plant groeit in bijna geheel Europa op zandige en onbebouwde plaatsen, soms ook op muren. Bij ons is zij echter zeer zeldzaam (Zwolle, Gorinchem, Leerdam, Rotterdam, Dordrecht, Venlo, Amsterdam)

0 van het Latijnsche luna: maan, hetgeen slaat op den vorm van het hauwtje schernTnUa^teHeniariK\ ^iennis = tweejarig. ') komt van 't Grieksche drabé: anderen komi L?n °P; r ? 1 son,mi«c soorten een scherpen smaak heeft. volgens tot de oHn en h 'Ur'eksche drepoo: afplukken, omdat de plant behoord zou hebben

werden lenlnk, n ""Tl h l"d Werde" t!ebruikt en waarvan dlls herhaaldelijk takjes werden geplukt (de nu bekende soorten zijn niet aromatisch). ■") muralis = muur (een

vieemde soortsnaam, daar de plant zelden op muren groeit).

21. Lunaria ') L.

L. annua -) L. (L. biénnis:1) Mnch.) Judaspenning (fig. 343).

Het zaad dezer plant kiemt vrij laat in den zomer en vormt in den herfst kiemplanten met groote bladen, waaruit meestal het volgend jaar de bloemdragende s.enge.ronts.aan

De stengels en bladen zijn zwak ruw behaard door uitgespreide haren. De stengel is rechtopstaand, meest vertakt. De bladen zijn groot, met hartvormigen voet. ongelijk getand, de onderste lang-, de hoogere korter gesteeld. de bovenste bijna zittend.

De bloemen staan in eindelingsche en bladokselstandige trossen, zijn purperkleurig en vrij groot. De kelkbladen zijn opgericht, purperbruin. De hauwtjes zijn langgesteeld, zeer groot, eirond, aan weerskanten afgerond, afgeplat boven de inhechting van den kelk gesteeld, aan uitstaande stelen hangend (fig. 343). Dc kleppen zijn vlak, zonder nerven. De stijl is draadvormig, 6-8 niM lang. De zaden zijn niet talrijk, groot, niervormig, samengedrukt, gevleugeld en staan in 2 rijen. 3-10 dM. OO. Mei, Juni.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De Dlant komt

Lunaria annua

FiK. 343.

Draba muralis

Fig. 344.

Sluiten