Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Erophila verna

Fig. 345.

23. Króphila ') I). C.

E. vérna ) E. Meyer. (Draba verna L.). V r o e g e 1 i n g (fig. 345).

Uit den penwortel komt een roset van wortelbladen, waaruit 1—6 met gaftelharen bezette, onbebladerde stengels komen, die niet vertakt 7iin en

niPPcinl n « i _ j _ .. .

ue oiaaen zijn lancetvormig, spits, getand of gaafrandig, aan den voet steelachtig versmald.

De bloemen zitten in een dadelijk vrij Ianggerekten tros, zijn klein en wit. De bloemstelen zijn meest onbehaard. De kelkbladen zijn wit behaard, de kroonbladen zijn 2-spletig of-deelig, langer dan de kelk.

De vruchttros is los, de stelen zijn schuins opstaand. De hauwtjes zijn afgerond, onbehaard, bijna zonder stijl, met 1-nervige kleppen (fig. 345). De zaden zijn talrijk in ieder hokje en staan 2-rijig. 3-15 cM. O en ©O. MaartMei, zelden in den Herfst.

Vormen zijn:

*. vulgaris3) Prod. Hauwtjes langwerpig of ovaal-langwerpig. macrocarpa4) Prod. Hauwtjes langwerpig-lancetvormig.

y. praécox ') Stcv. Hauwtjes bijna bolrond.

Biologische bijzonderheden. De inrichting der bloemen met het 0054 op de bestuiving is als bij de andere Cruciferenbloemen. Merkwaardig is, dat na den bloeitijd de eerst zeer kleine kroonbladen dubbel zoo groot worden en zich tegen het ook vergroote vruchtbeginsel leggen. Daardoor valt de geheele bloeiwijze wat meer in het oog.

Volksnamen. Naar den groei op drogen zandgrond heeft de plant verschillende volksnamen gekregen, b.v. armoedje (Zuid-Limburg), armoe (Zuid-Beveland), hongerbloempje (Friesland, Twente), kommerbloempjes (Achterhoek), kommerkruid (Overijsel), magermannetje (Zuid-Limburg). Op de Noord-/eluwe heet zij aapjesmos, op Tholen grutjes.

Voorkomen in Nederland en in Europa. De plant komt op droge zandgronden in geheel Europa voor en is ook bij ons zeer algemeen. Zij behoort tot de het vroegst bij ons bloeiende planten. De var. ,5. macrocarpa en y. praecox zijn bij ons zeldzaam gevonden. In bouw der bladen, hauwtjes, in lengte der vruchtstelen en kroonbladen enz. is de soort zeer uiteenloopend. Daar die vormen bij het kweeken geheel constant blijken te zijn, zijn zij door Reichenbach, Jordan e. a. als tal van „soorten" beschreven.

24. Cochleóriaü) L. Lepelblad.

Kelkbladen aan den voet gelijk, gewoonlijk uitgespreid. Kroonbladen omgekeerd-eirond, gaaf. Hauwtjes uitstaand, bijna bolrond of eirond, met sterk gewelfde kleppen, die meest 1 rugnerf hebben en netvormig geaderd

J) van èr: lente en pliilos: vriend of van eros: liefde, honger en philè: vriendin. ») verna = voorjaars. 3) vulgaris = gewoon. ') macrocarpa = grootvruchtig. ••) praecox = vroeg. '■) van 't Latijnsche cochlea: lepel, dit slaat op den vorni deionderste bladen van C. officinalis.

19*

Sluiten