Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets samengedrukt, met netvormig rimpelige kleppen en met een smal en lang tusschenschot. De zaden zijn groot en knobbelig. 1-3 dM. ©O. Mei, Juni.

Biologische bijzonderheid. Ook deze plant vertoont weder den lialophilen bouw.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt langs de zeekusten van Noord- en Midden-Europa voor. Bij ons is zij op zeeklei vrij zeldzaam, behalve op sommige Noordzee-eilanden. Om Amsterdam is zij ook op veengrond gevonden.

25. (Jamelnia') Crntz. Huttentut.

Kelkbladen opgericht, aan den voet bijna gelijk. Hauwtjes ovaal- tolof peervormig, opgezwollen, openspringend; boven de invoeging van den kelk kortgesteeld Kleppen bol, met een rugnerf. Stijl kort. Zaden eirond, niet gevleugeld, vele in ieder hokje, in 2 rijen.

Bloemen geel, klein. Bladen gaafrandig, getand tot bochtig vindeelig, de stengelbladen geoord stengelomvattend.

Eenjarige, min of meer behaarde planten.

Biologische bijzonderheden. Aan den voet der korte meeldraden zitten honigkliertjes. De helmknoppen der lange meeldraden liggen met den stempel op dezelfde hoogte en vlak daarbij, zoodat spontane zelfbestuiving kan plaats hebben. De helmknoppen der kortere meeldraden staan lager, zijn van den stempel af naar buiten gebogen en dienen voor kruisbestuiving.

De zaden zijn glad, doch worden door vocht kleverig, waardoor zij zich beter aan het kiembed hechten.

Volksnamen. Behalve huttentut heet de plant ook deder in Groningen, ilederzaad op Voome en Beierland, rij in Friesland, vlasdodder in ZuidHolland , dodderzaad in Groningen.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Camelina.

A. Hauwtjes ovaal-tolvormig, afgeknot uitgerand aan den top, zeer opgezwollen, met zachte kleppen. Vruchttrossen kort C. deiitata blz. 295.

B. Hauwtjes peervormig, aan den top afgerond. niet of weinig opgezwollen met harde kleppen. Vruchttrossen min of meer verlengd C. satlva blz. 296.

C. dentata ) Pers. V 1 a s - h u 11 en t u t (fig. 350).

De geheele plant riekt onaangenaam. De stengel is stijf, rechtopstaand, met zeer fijne gaffelharen los bezet, gegroefd, naar boven meestal vertakt. De onderste stengelbladen zijn gewoonlijk vindeelig of bijna liervormig, stomp, loopen in een korten steel uit, de middelste bladen zijn bochtig getand of vinspletig en zitten met pijlvormigen voet, de bovenste bladen zijn bijna gaafrandig. Alle bladen zijn aan weerszijden groen, wel zitten er fijne gaffelharen op.

r-v . «. i i . , .

Ue bloemtrossen zitten aan het eind van den Camelioa dentata stengel en van de takken, zij zijn eerst knikkend, Fi«- :is°.

maar daarna rechtopstaand. De bloemen zijn bleekgeel, de kelkbladen

') van 'tQrieksche camaë: op den grond en linon: vlas, omdat de planten wel in vlasvelden groeien, doch lager dan het vlas blijven. !) dentata = getand.

Sluiten