Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onbehaarde bladen en midden uit het roset komen een of meer niet vertakte, rechtopstaande, bebladerde, blauwgroene stengels. De stengelbladen zijn eirond-langwerpig, stomp, hartvormig stengelomvattend, met korte, stompe of afgeronde lobben.

De bloemen staan in eindelingsche trossen, zijn wit of soms iets rose, vrij klein. De kroonbladen zijn weinig langer dan de kelkbladen. De helmknoppen zijn eerst geel, worden later violet, eindelijk zwart. De vruchttros is verlengd. De hauwtjes zijn even lang als hunne stelen, zijn vlak, hartvormig, gevleugeld, met vrij wijde insnijding, waarin de vrij lange stijl zit (fig. 355). leder hokje is 4-8-zadig met gladde zaden. 7-30 cM. April—Juni.

Bij ons komt bijna alleen de variëteit S. calami¬

nare lang

de kelk.

' ^ 1 pi \rr\f\r HonrUiJ -7 i < t-« rln ni^.iUrn.Inn minn

/ • » ww I. I/aai UIJ l. ij 11 ut minui duin LVtll

als de kroonbladen en deze veel langer dan

■—"al" «ij'CBne

Fig. 355.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant zelve komt in bosschen, op grazige plaatsen en rotsen in Midden- en West-Europa voor. Zij is bij ons alleen bij Vaals gevonden. De var. calaminare is op zinkhoudenden bodem in het Akener bekken vrij algemeen en is bij ons langs de Geul bij Cottesen, Epen en Alechelen gevonden.

28. Teesdalia -') R. Br.

T. nudicaulis3) R. Br. Klein taschjeskruid (fig. 356).

Uit den penwortel komt een wortelroset van bladen en 1 of meer stengels, die meest onvertakt, rond en glad zijn. Daarvan is de middelste meest rechtopstaand, terwijl de zijdelingsche op¬

stijgen en 2 a 3 kleine blaadjes dragen. De wortelbladen zijn gesteeldjepelvormig, doch vaker vinspletig tot vindeelig met afgeronde slippen. De stengels zijn óf onbebladerd óf de bladen zijn lijn-lancetvormig.

De bloemen staan in eindelingsche trossen, zijn klein en wit. De kelkbladen staan een weinig uitgespreid De kroonbladen zijn ongelijk, de 2 aan de buitenzijde staande zijn veel grooter dan de 2 andere en ook grooter dan de kelk. De helmdraden bezitten aan den voet een wit schubbetje.

De vruchttros is langwerpig met uitstaande vruchtstelen. De hauwties zijn eirond-rondachtitï. aan

den top uitgerand, zijdelings samengedrukt met bootvormige kleppen (fig. 356). De stijl is zeer kort. De zaden zitten 2 in ieder hokje. 3-20 cM. OO, zelden ©. April—Juni, zelden Augustus, September.

Biologische bijzonderheden. Het zoogenaamd stralend zijn der bloemen en ook, dat zij in den bloeitijd in een vlak staan, maakt het geheel der

Teesdalia nudicaulis

Fij; 356.

') calaminare: op galmeigrond groeiend. *) naar Robert Teesdale, een Engelsch

botanicus f 1804. 3) nudicaulis = naaktstengelig.

Sluiten