Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Isatis tinctoria Fig. 371.

eenige haren bezette, doch overigens kale stengels, die boven in vele bloemtakken uitloopen. De wortelbladen zijn groot, breed langwerpig-Iancetvormig, stomp, aan den voet in een steel versmald, iets

bochtig of gaafrandig, met enkele haren bezet. De stengelbladen zijn zittend, lancetvormig, den stengel met 2 spitse oortjes omvattend, gaafrandig.

De bloemen zitten in trossen aan het eind van den stengel en der takken, de onderste dezer zijn langer gesteeld, zoodat het geheel op een groote tuil gelijkt, zij zijn klein en geel. De bloemsteeltjes zijn kaal, naar den top verdikt. De kelkbladen zijn afstaand, langwerpig, stomp, geelgroen. De kroonbladen zijn spatelvormig, gaafrandig.

De vruchttrossen zijn opgericht, de vruchtstelen omgebogen, omstreeks evenlang als de hauwtjes.

Deze zijn langwerpig-knotsvormig, aan den voet

meest versmald, met afgeronden top, zijdelings samengedrukt, met bijna gevleugelde randen, hangend, ten slotte zwart (fig. 371). Zij zijn 3-5 mM breed, 1-hokkig, 1-zadig, niet openspringend. De stijl ontbreekt. 6-12 dM. OO. Mei, Juni.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant groeit op onbebouwde plaatsen, op rotsen in Midden- en Zuid-Europa. Bij ons komt de plant zeer zeldzaam voor in de duinen en op enkele plaatsen aan rivieroevers, waarschijnlijk als overblijfsel van vroegere culturen, de plant werd toch in vroeger eeuwen om het indigogehalte der bladen als verfstofplant gekweekt.

35. Myagrum ') Tm.

M. perfoliatum •) L Myagrum (fig. 372).

De plant is blauwgroen, onbehaard.

Uit den penworte! komt een rechtopstaande, meest alleen van boven vertakte, los bebla-

derde stengel. De wortelbladen zijn bochtig vinspletig, soms liervormig, stomp, in een korten steel versmald. De onderste omgekeerd langwerpige stengelbladen zijn ook nog kort gesteeld, doch omvatten reeds den stengel met een pijlvormigen voet. Alle hoogere stengelbladen hebben een dergelijken voet, doch zijn bijna of geheel gaafrandig en naar voren spits of stomp.

De bloemen zitten in kleine, eindeiingsche trossen en bovendien staan er meest eenige; in de oksels der bovenste, schutbladachtige, zeer spitse bladen, zij zijn klein en geel. De kelkbladen zijn opgericht, 2 hebben zakvormige aanhangsels, de kroonbladen zijn 2 maal zoo lang al3 ue kelkbladen.

De vruchttrossen zijn lang, smal en los met vrij lange, schuin opgerichte, dikke steeltjes. Terwijl het vruchtbeginsel

1—3 eitjes bevat, komt daarvan steeds slechts 1 tot ontwikkeling. De hauwtjes zijn 2-ledig, het bovenste lid is

2-hokkig, met hokjes naast elkaar, doch zonder zaden, het

onderste is ook 2-hokkig, doch alleen in het bovenste hokje zit een hangend zaadje (fig. 372). Het bovenste lid beschouwt men als den opgezwollen, hol- en 2-kamerig geworden stijlvoet, het onderste hokje van het onderste lid als den hol geworden vruchtsteel en het

') Dit woord wordt óf afgeleid van mus: muis en agra: jacht, vangst en zou dus muizenvanger beteekenen en zou eigenlijk de oude naam zijn voor Myagrum sativa, de tegenwoordige Camelina sativa, waarom is onbekend óf van mua: vlieg en agra: vangst, dus vliegenvanger, waarom is ook onduidelijk. ") perfoliatum = doorgroeid.

Myagrum perfoliatum Fig. 372.

Sluiten