Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— RESEDACEAE.

FAMILIE 40.

'■>. radicula '). Radijs. Wortel klein, bolrond of langwerpig, van buiten rood, wit of purper, minder scherp smakend.

Biologische bijzonderheden. De bloemstelen krommen zich bij regen en des nachts om het stuifmeel tegen regen te beschutten.

De meeldraden draaien in de bloemen niet, doch zij leggen zich horizontaal naar buiten, zoodat zij van den stempel afstaan. De helmknopjes der 4 lan?ere..meeIdraden staan even hoog als de stempel, die der kortere lager en zij zijn verder naar buiten gebogen. Bij het eindigen van den bloei komen echter de helmknopjes der langere meeldraden met den stempel in aanraking, zoodat spontane zelfbestuiving kan plaats hebben, die echter slechts de helft der zaden van anders doet ontwikkelen. Bij insectenbezoek heeft vaak kruisbestuiving plaats.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De herkomst der plant is onbekend. Volgens veie schrijvers zou zij niets anders zijn dan een door cultuur gewijzigden vorm van Raphanistrum Lampsana en volgens Ascherson zouden kweekproeven door H. Hoffmann gedaan, dit waarschijnlijk maken. Volgens den Prod. Fl. Bat. zou de plant uit Azië afkomstig zijn. Zij wordt overal gekweekt en is ook nog al eens verwilderd gevonden.

Familie 40. Resedaceae D. C. Resedaachtig en.

Planten met verspreid staande, meest gedeelde bladen. Bloemen in trossen of aren, klein, symmetrisch. Kelk 4-7-deelig, blijvend. Kroonbladen met de kelkslippen afwisselend, althans ten deele ingesneden, de bovenste grooter. Meeldraden meest talrijk, op een onderstandige, tiaar boven verbreede schijf ingeplant. Helmknopjes zijwaarts of naar binnen openspringend. Vruchtbeginsel vrij vaak gesteeld, aan den top open, zonder stijl. Zaden gekromd, zonder kiemwit, met gebogen kiem, terwijl het worteltje tegen de eene zaadlob aanligt. Vrucht een doosvrucht, die uit 3-6 vruchtbladen is gevormd, doch eenhokkig is en zich aan den top opent.

Biologische bijzonderheden. Bij alle Reseda-soorten is de inrichting der bloem met het oog op de bestuiving vrij wel gelijk. De wildgroeiende soorten rieken meest niet, het vereenigd zijn tot bloeiwijzen doet de bloemen echter nog al opvallen. De bloemen zijn homogaam of zwak protrandrisch De bloembodem verwijdt zich naar achteren tot een vertikaal staande vierhoekige schijf, die van voren fluweelachtig is en als honigmerk dient. De gladde achtervlakte scheidt honig af en de verbreede nagels der achterste en middelste kroonbladen beschutten, doordien zij dicht tegen de "achterzijde der schijf liggen en met hunne naar voren gerichte lob de bovenen zijranden van deze omvatten, den honig tegen regen en onnutte bezoekers (vliegen). Het nectarium is dus een soort doos, waarvan het deksel door homgzoekende insecten moet worden geopend. Hiertoe zijn kortsnuitige bijen (Prosopis-soorten) beter geschikt dan langsnuitige. Ook tijdens den knoptoestand liggen de bloemdeelen open, zoodat van een opengaan der bloem geen sprake is. Het vrij in het midden der bloem staande vruchtbe-

') radicula = radijsje.

Sluiten