Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ginsel is aangewezen als plaats, waarop de insecten het eerst aanvliegen. Deze zullen dus steeds kruisbestuiving bewerken, zoo zij reeds een andere bloem der soort bezocht hebben.

Volksnamen. In N.-Brabant en Limburg zijn de Resedasoorten bekend als roses d'Egypte met alle mogelijke verbasteringen daarvan, als rozegiep, rozeziep, rosip. In Zuid-Limburg noemt men ze ook wel Egyptische dauw.

1. Reseda1) L. Wouw.

Kroonbladen 4-6, in slippen gedeeld. Meeldraden 10-30. Doosvrucht 3-4-hoekig, uit 3 of 4 vruchtbladen gevormd, aan den top met 3-4 tanden openspringend. Zaden talrijk, niervormig. Bloemen in trossen.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Reseda.

A. Kelk 6-7-deelig. Kroonbladen 6, de bovenste diep gedeeld. Meeldraden 10-24. Vruchtbladen 3 of 4.

a. Vruchtbladen 4. Zaden knobbelig. Kelkslippen lancetvormig. Bladen vindeelig. Doosvrucht elliptisch-cylindrisch R. allia blz. 317.

b. Vruchtbladen 3. Zaden glad. Kelkslippen lijn-lancetvormig. Bladen 3-spletig of bijna dubbel 3-spletig. Doosvrucht eirond-cylindrisch . . . . R. lut»-a blz. 317.

B. Kelk 4-deeIig. Kroonbladen 4, een naar boven staand grooter, 5-7-spletig, de zijdelingsche 3-spletig, het onderste meest 2-spletig. Meeldraden 20-30. Vruchtbladen 3, zelden 4, zeer zelden 2. Bladen smal lancetvormig, aan den voet aan weerskanten met een tand. Doosvrucht bolvormig-omgekeerd eirond R. Luholu blz. 318.

R. alba-) L. Witte wouw (fig. 383).

Deze plant heeft een rechtopgaanden, niet vertakten of van rechtopstaande takken voor-

zienen stengel. De bladen zijn vindeelig met meestal smal lancetvormige, spitse slippen.

De bloemen staan in lange, dichte trossen, zijn wit en welriekend. De kelk is 6-7-deelig met lancetvormige, spitse slippen. De kroonbladen zijn 6 in getal, de bovenste zijn diep gedeeld. Meeldraden zijn er 10-24. De bloemstelen zijn kort. Het vruchtbeginsel is uit 4 vruchtbladen opgebouwd. De doosvrucht is elliptisch-cylindrisch, rechtopstaand, 4 maal zoo lang als de kelk. 15-60 cM. ©0, zelden Juni—October.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant behoort thuis aan het zandige strand der Middellandsche Zee. Bij ons is zij gekweekt en soms verwilderd gevonden; b.v. in 1835 tusschen Spanjaardsbrug en Leiderdorp en in 1831 in de duinen bij 's-Oravenhage en later bij Amsterdam.

B. lütea3) L. Gele wouw (fig. 384).

Uit den penwortel komen gaafrandige, spatelvormige, aan den top afgeronde wortelbladen en een opstijgende, vertakte, gegroefde stengel.

De onderste stengelbladen zijn spatelvormig, gaaf of 3-slippig, vrij lang gesteeld, met kleine, vinspletige steunblaadjes, de volgende zijn in omtrek langwerpig, vindeelig tot dubbel vindeelig, kort wollig behaard, de bovenste zijn ook zoo, doch hebben meer lijnvormige slippen. Bij alle is de rand klierachtig behaard.

De bloemen staan in een gedrongen pyramidalen tros, zijn langgesteeld en geelgroen. De kelk is 6-7-deelig met lijn-lancetvormige, uitgespreide slippen. Kroonbladen zijn er 6, de bovenste zijn diep gedeeld

) van het Latijnsche resedare: weer rustig maken, in verband met het vroegere gebruik der planten in de geneeskunde tot verzachting van wonden.

2) alba = wit. 3) lutea = geel.

•1

Reseda alba Fig. 383.

Sluiten