Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sterke geur is een lokmiddel voor de insecten. De bloemkroon is in het midden wit gekleurd, op het onderste bloemkroonblad loopen door die witte vlek donkere aderen, die naar den ingang der spoor wijzen en als honigmerk dienst doen. Het steinpeldragende einde van den stijl is haakvormig naar beneden gebogen (fig. 388), de eigenlijke stempel is de buitenoppervlakte van dien haak. Een insect, dat zich op het onderste bloemkroonblad zet, stroopt bij het naar binnen bewegen der slurf, waarop stuifmeel uit een andere bloem zit, dit stuifmeel daaraan af, drukt dan den haak naar boven en krijgt op de op blz. 319 beschreven wijze nieuw stuifmeel op zijn slurf. Bij het terugtrekken van deze, blijft de stempeloppervlakte naar boven gekeerd en krijgt dus niets van dat stuifmeel uit dezelfde bloem. Bij insectenbezoek is dus kruisbestuiving verzekerd, terwijl zelfbestuiving op deze wijze onmogelijk is. Toch vormen deze bloemen zelden vruchten, misschien in verband met den vroegen bloeitijd. Nu komen echter, behalve deze bloemen, ook kleistogame voor. Deze zitten dicht bij den bodem, hebben weinig ontwikkelde kroonbladen, openen zich niet en de 5 helmknopjes omhullen daar den stempel. Het stuifmeel vormt in die bloemen stuifmeelbuizen, welke direct in den stempel dringen. Deze kleistogame bloemen zijn steeds vruchtbaar en de onrijpe vruchten graven zich vaak in den bodem en worden daar rijp. Daardoor zijn zij beschut tegen het opvreten door dieren en tegen uitdroging.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in heggen, bosschen en aan beschaduwde slootkanten in geheel Europa voor en is ook bij ons algemeen. Het Maartsch viooltje is reeds een oude sierplant en waarschijnlijk zullen vele in 't wild groeiende wel afstammen van gekweekte. De vorm met witte bloemen is bij ons vrij zeldzaam.

Volksnamen. Behalve de namen Maartsch en welriekend viooltje, die veel gebruikt worden, wordt de plant op eenige plaatsen ook blauw viooltje en boschviooltje genoemd. Op Walcheren, aan den Veluwezoom en in de Graafschap Zutphen heet zij ruikend viooltje, in Friesland blauw engeltje, bij den Haag boodskopjes, in Twente stiefmoedertje, op Texel weesjes.'

V. canina ') L. H o n d S v i o O 11 j e (fig. 389).

Uit den wortelstok komen eenige rechtopstaande liggende stengels, die al of niet evenals de bladen behaard zijn. De bladen zijn bijna steeds stomp, soms spits, doch niet toegespitst, met hartvormigen of afgeknotten voet, gekarteld. De steunbladen zijn lijnvormig of langwerpig-lancetvormig met franje. De bloemen zijn hangend aan rechtopstaande stelen, bleekblauw of bleekviolet, zelden wit, reukeloos. De bloemstelen dragen schutblaadjes. De spoor is wit of geelwit, langer dan de kelkaanhangsels, meestal dubbel zoo lang als deze. De vruchtstelen zijn opgericht. De vrucht is onbehaard, stomp met een spitsje (fig. 389). 5-40 cM. ^r. Mei, Juni. De bloemen zijn 2-vormig als bij V. odorata.

Vormen zijn:

ericétorum2) Schrad. Stengels liggend, 5-15 cM lang. Bladen glanzig,

of opstijgende, soms

Viola camna Fig. 389.

') canina = honds. -) ericetorum = heide.

21*

Sluiten