Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langwerpig, evenals de bloemen vrij kort gesteeld, zoodat de steunbladen vrij lang schijnen. Spoor geelachtig-wit of geelgroen. p. lucórum]) Rchb. Stengels bijna rechtopstaand, 15-30 cM lang. Bloemen en bladen grooter dan bij de vorige en langer gesteeld. Bladen dieper hartvormig ingesneden. Spoor meest wit. -/. flavicórnis2) Sm. Stengels 2-10 cM lang, liggend. Bladen klein,

alle hartvormig, vaak iets grijsgroen. Spoor geelachtig. <?. montdna3) L. Plant groot, krachtig, 20-50 cM hoog met dikken, kortbehaarden stengel. Bladen aan den voet afgeknot of hartvormig, kortbehaard. Steunbladen der middelste bladen even lang als de steel, die der bovenste veel langer dan deze. Bloemen groot, s. lancifólia4) Thore. (V. lactear') Sm.). Bladen eirond, langwerpig of

bijna lancetvormig, de onderste hartvormig.

Biologische bijzonderheden. Omtrent de bestuiving geldt het bij V. odorata gezegde, ook wat de kleistogame bloemen betreft.

Voorkomen in Europa en in Nederland. Het hondsviooltje of boschviooltje, zooals het ook wel genoemd wordt, komt op heidegrond, in weiden en bosschen in geheel Europa voor. Bij ons is de vorm a. algemeen, ,5. vrij zeldzaam, 7. alleen gevonden op Terschelling bij een eendenkooi bij de Grie, <?. alleen aangetroffen in de duinen bij Noordwijk en is zeldzaam.

V. mirabilis c) L. Grootbladviooltje (fig. 390).

Uit den wortelstok komen een of meer rechtopstaande stengels, die eerst zeer kort geleed zijn, zoodat de plant bijna stengelloos schijnt, doch tijdens het opengaan der bloemen verlengen zich de stengelleden vrij sterk en zijn van een rij haren voorzien. De bladen

van het wortelroset zijn langgesteeld, met eenrijig behaarde

viola mirabiiis komen, wier kroonbladen mees al weinig ontwikkeld zijn.

Fig. 390. yan daar dat deze plant in de verschillende periodes van

haar groei een zoo verschillend uiterlijk heeft. Eerst gelijkt zij op Viola odorata, doch mist de uitloopers van deze en onderscheidt er zich van door de eigenaardige beharing en de nooit franjedragende steunbladen, ook door de lichtgroene, bijna glanzende bladen. Later gelijkt zij meer op V. silvatica, doch ook van deze is zij door bovengenoemde kenmerken gemakkelijk te onderscheiden.

De bloemstelen zijn driekant, onbehaard, met 2 schutblaadjes boven het midden. De kelkbladen zijn vrij groot. De bloemen zijn grooter dan bij V. odorata. De spoor is langer dan de kelkaanhangsels. De doosvrucht is toegespitst, onbehaard (fig. 320). 2-3 dM. 4. April—Juni.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in de bergbosschen op kalkgrond in Midden- en Noord-Europa voor. Of zij werkelijk in ons land, bij Maastricht, gevonden is, is twijfelachtig.

i) lucorum = bosch. -) flavicórnis = blondhoornig. ») montana = berg.

4) lancifólia = lansbladig. 0) lactea = melkwit. ll) mirabilis = bewonderenswaardig.

van het wortelroset zijn langgesteeld, met eenrijig behaarde stelen, met breed hartvormigen voet, overigens bijna niervormig, klein gekarteld, met korte, stompe punt. Destengelbladen zijn korter gesteeld doch overigens gelijk van vorm met de andere, zij hebben van onderen verspreid behaarde nerven. De steunbladen der wortelbladen zijn groot, gaafrandig of iets gekarteld, spits, die der stengelbladen zijn meest iets getand, alle zonder franje.

De bloemen zijn bleekblauw, groot, welriekend. Het wonderlijke (zie de beteekenis van mirabilis) van deze plant is, dat de eerste bloemen uit de oksels der bladen van het wortelroset komen en langgesteeld zijn met volkomen kroonbladen, dus chasmogaam, doch meest onvruchtbaar zijn, terwijl aan de zich later ontwikkelende stengels uit de bladoksels kortgesteelde, half kleistogame, vruchtbare bloemen

Sluiten