Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vormen zijn:

*. vulgaris ') Koch. Bloemkroon meest langer dan de kelk, de beide bovenste kroonbladen violet, de middelste lichtviolet, het onderste geel niet violette strepen en violetten top of ook de middelste geel of de bovenste 4 geel, het onderste geelwit. Meest u.

p. chrysantha 2) Koch. Bloemen geel, groot. Bladen langwerpig-lancetvormig, gekarteld. Steunbladen gewimperd, doch de topslip niet grooter dan de korte zijslippen. Spoor verlengd, slank, even lang als de kelk.

y. arvénsis3) Murr. Bloemkroon korter dan de kelk, geelachtig wit, het onderste kroonblad donkerder, zelden de beide bovenste ten deele blauw of violet. O.

a\ maritima4) Schw. Stengels en bladen vleezig. Overigens als de vorige.

Biologische bijzonderheden. De vorm «. vulgaris is grootbloemig en vooral het onderste bloemkroonblad draagt een duidelijk honigmerk. Het bovenste deel van den stijl is hier bolrond en heet stijlkop (fig. 394). Deze is hol en de geheele inwendige oppervlakte is kleverig, is stempeloppervlakte. Deze holte heeft een opening en aan den benedenrand van die opening zit een buigzaam lipje. Het insect, dat zich op het onderste bloemkroonblad zet, stroopt het stuifmeel, dat aan zijn slurf zit, aan dat lipje af en krijgt later nieuw stuifmeel, dat uit het kegeltje (blz. 319) op de slurf neervalt. Bij het terugtrekken der slurf drukt deze het lipje naar boven tegen de opening van den stijlkop, zoodat geen stuifmeel uit dezelfde bloem daaraan komt en verder ook het op het lipje zittende stuifmeel zich aan de kleverige stempeloppervlakte hecht.

Na eenige bloeidagen valt echter het stuifmeel uit het kegeltje der helmknoppen in de groef van het onderste kroonblad en aangezien zich dan de bloem wat naar beneden buigt en de open stempeloppervlakte in die groef komt te liggen, kan zelfbestuiving plaats hebben, die echter bij dezen vorm geen effect schijnt te hebben.

Bij den vorm 3. arvénsis zijn de bloemen kleiner, met weinig ontwikkeld honigmerk. Het lipje aan den stijlkop ontbreekt hier geheel, zoodat zelfbestuiving èn door insecten èn door de bloem zelve kan plaats hebben.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op open en bebouwde, doch vooral zandige gronden in geheel Europa voor. De vorm «. vulgaris is bij ons vrij algemeen, de vorm /3. chrysantha is bij Diepenveen, Hilversum en op den Breesaap gevonden, de vorm ■/. arvénsis is algemeen bij ons, de vorm <?. maritima vrij zeldzaam.

De plant is een der grondvormen van de gekweekte pensées. Deze zijn sedert 1687 gekweekt en in 1812 bestonden al omstreeks 20 variëteiten, doch in 1813 en 1814 verzamelde Lord Gambier eenige wildgroeiende Viola tricolorvariëteiten en veredelde door middel van deze de toen bekende. De eerste groote verandering, die hij verkreeg, was de omzetting der donkere lijnen in het centrum der bloem tot een donker oog in het midden, iets, wat tot dusverre nog nooit was voorgekomen. Na dien tijd is de cultuur voortgezet en zoo bestonden er in 1835 al 400 variëteiten.

Volksnamen. Behalve driekleurig viooltje, noemt men de plant achteromkijkertjes (Veluwezooni), blauwe klokjes (Waterland), drievuldigheidsbloempje

') vulgaris = gewoon. -) chrysantha = goudgeelbloemig. :|) arvénsis = veld. ') maritima = zee.

Sluiten